maandag 1 december 2008

Elfurentocht







Vrijdagavond vertrok ik, na in de Leidse IJshal schaatsles te hebben gegeven voor de buitenschoolse sport en voor de IJVL, met de fiets in de trein naar Harderhaven. Hier zou ik een nacht logeren op de tjalk van mijn zwager. Om 9 uur was ik bij Anton en Annemarie en na een paar uur gezellig bijpraten dook ik om 11 uur in de slaapzak. De slaap kwam gelukkig snel, want de wekker stond op 4 uur.
Om 3 uur werd ik uit mezelf wakker en daar ik de slaap toch niet meer kon vatten, kleedde ik me om half 4 aan en ging zachtjes in mijn eentje ontbijten. Een half uur later zat ik op de fiets. Het regende vrij hard, hetgeen niet voorspeld was. Met mijn regenbroek aan fietste ik over de donkere dijk naar Flevonice. In het licht van de koplamp kon je tientallen konijnen het fietspad zien oversteken.
Rond de klok van 5 uur had ik startnummer 312 op mijn rechterbovenbeen gespeld. Een half uur later was de briefing. De spelregels van de dag werden uitgelegd. Tevens werd gezegd, dat er enkele buitenlandse deelnemers aan de eerste Elfurentocht waren, waaronder iemand uit Spanje. Op 29 november krijg je dan een sterk vermoeden, wie dat dan kan zijn. En inderdaad: Sinterklaas kwam aangeschreden.
De Goedheiligman komt het startschot geven is dan snel je eerste gedachte. De nummer 1 in de tradities van Nederland moest het echter afleggen tegen een andere nummer 1: Reinier Paping, de winnaar van de meest legendarische Elfstedentocht. Op 18 januari 1963 deed hij 10 uur en 59 minuten op deze helse tocht door een poollandschap. Aan ons de taak om onder heel wat betere omstandigheden te proberen om binnen die tijd de 200 km af te leggen. Ik had me hem groter voorgesteld. Hij is beslist niet groter dan mij, maar als schaatser is hij natuurlik veel groter!
Om kwart voor 6 ging de regen over in een miezerbuitje en mochten we naar buiten om de schaatsen aan te trekken. In het startvak met ruim 100 schaatsers kwam ik Haico Bouma tegen, de nummer 7 van de Elfstedentocht van 1986. Met hem nog even na staan praten over de Zevenheuvelenloop, die we allebei gelopen hadden, maar al snel gaf Reinier Paping het startsein en mochten we los.
Ook al was de ijsbaan redelijk goed verlicht, schaatsen in het donker is toch niet iets, wat je elke dag doet. Met een ruiterlichtje om mijn linkerarm reed ik het eerste rondje in een van de snellere groepen, ondanks mijn opmerking voor de start: “Om de rode lantaarn hoef je je geen zorgen te maken, die heb ik al!” Sint-Nicolaas reed trouwens de eerste ronde mee, met zijn wijd wapperende tabberd en zijn staf. Het was een komisch gezicht, toen de Sint zijn mijter verloor en hij zich met zijn staf in de hand om moest draaien.
Het eerste stempel van de dag werd door de legendarische Reinier Paping op mijn stempelkaart gezet. Dit is te zien op de video.

Met een groepje van 4 man reden we de volgende rondes in een lekker strak tempo. Om beurten namen we een ronde van 4,5 km de kop. Na 4 rondes moest ik even wat drinken en de blaas legen, zodat ik het contact met deze groep verloor. De volgende rondes reed ik veelal alleen. Gelukkig stond er niet al te veel wind in de kale polder. Het eerste uur had ik 5 rondjes achter de rug. Ik lag dus mooi op schema.
Halverwege het tweede uur begon het te schemeren en langzamerhand zag je het steeds lichter worden. Het blijft een bijzondere ervaring om dit op de schaats mee te maken. Het tempo lag nog steeds op hetzelfde niveau, ondanks dat het ijs in de vochtige lucht steeds meer begon uit te slaan. Toen het licht geworden was, werd de baan voor de eerste keer met een tractor geborsteld. Je merkte het meteen als de zachte bovenlaag eraf was gehaald.
De hele ochtend probeerde ik vooral te rijden op techniek, of ik alleen reed, als “wieltjesplakkker” achter een andere schaatser of in een groepje. Vooral op de bijhaal en het rustmoment probeerde ik me te concentreren. Wat dat aangaat is schaatsen een denksport. Je moet voortdurend alert blijven.
Het was zwaar bewolkt maar droog, een graad of 5 en met windkracht 3 waren de omstandigheden redelijk goed. Alleen de hoge luchtvochtigheid zorgde er voor, dat het bovenste laagje vrij zacht was. Het was echt werkijs. Ik was niet de enige, die daar zo over dacht. Diverse andere schaatsers zeiden het in de loop van de dag tegen me. Ondanks het werkijs ging het tot 100 km lekker. Ik zat dik onder het schema van 10 uur en was inmiddels begonnen aan de achterzijde van de stempelkaart.
Het eten van vast voedsel ging steeds moeizamer, een krentenbol eten onder het schaatsen ging al vrij moeizaam, een paar rondes later was ik een halve ronde bezig om een broodje kaar weg te werken. Vanaf dat moment schakelde ik over op Squeezy energiegel voor de broodnodige brandstof, hoewel ik eerlijkheidshalve moet bekennen, dat ik van Zwarte Piet een paar keer een handje pepernoten kreeg. Naast Sinterklaas en Zwarte Piet kwam ik ook de IJVL-leden Jacquelien Waasdorp en Saskia Liem tegen, die hier "gewoon" aan het schaatsen waren.
Ondertussen had Reinier Paping ook het startschot voor de Zevenurentocht en de Vijfurentocht gegeven. Er deden een paar kinderen van hooguit een jaar of 9 aan mee, die tot 60 km kwamen!

Rond de 120 km had ik een paar rondjes, dat ik een klein dipje had, maar tussen de 130 en 150 kilometers reed ik de beste kilometers van de dag. Ik reed zelfs een paar rondes mee in de groep met Haico Bouma. Nu had ik wel het idee, dat deze marathonschaatser zich heel erg inhield, maar desondanks rijd je dan toch een pittig tempo.
Tussen de 160 en de 190 km had ik, net als meestal bij het 35 kilometerpunt bij de marathon, mijn gebruikelijke inzinking. Het technisch goed schaatsen liet ik voor wat het was en ik ging rechtop schaatsen. Met een "ouderwetse" prikslag reed ik zo mijn rondjes. Zoals je bij de marathon soms even moet wandelen om te voorkomen, dat je kramp krijgt, moest ik dat nu ook doen. Bij de 180 km zat ik voor het eerst boven het schema van 10 uur. Desondanks had ik wel de zekerheid, dat ik de 200 km binnen de 11 uur zou volbrengen, in tegenstelling tot Jan van Schie, met wie ik op donderdagochtend regelmatig schaats. Na een maand geblesseerd te zijn strandde hij op 180 km.
En dan is het er plotseling weer: je voelt, dat je weer kracht krijgt, “de tweede adem”. De laatste 3 ronden kon ik weer goed technisch rijden en met een soort eindsprint van bijna 14 km beëindigde ik mijn eerste Elfurentocht. De 44e stempel, oftewel 198 km, werd gezet toen ik 10 uur onderweg was. De 200 km werd volbracht in 10 uur en 5 minuten, waarna ik met de 45e stempel de 202,5 km lange tocht volbracht had in 10 uur en een kwartier. “Je ziet er nog monter uit” zei de speaker. Toen wel, ja!
Mijn snelste 200 tot nu toe had ik op de Weissensee volbracht in 10.16, dus dit was, ondanks het werkijs en ondanks het te woord staan voor een paar korte interviews tijdens de Elfurentocht, een verbetering van het p.r. met ruim 10 minuten. Tijdens zo’n interview kreeg ik de vraag voorgelegd, of dit een beetje de sfeer van de Elfstedentocht had. Dit kon ik wel beamen. Het gebeurt niet zo vaak, dat ik ’s ochtends om half 4 zit te ontbijten en ook schaatsen in het donker is geen dagelijkse trainingsstof terwijl het Friese dweilorkest "Menaemer Feintjes"zeer zeker sfeerverhogend werkte.
De organisatie van de Elfurentocht was prima. Het enige minpunt was, dat de baan te weinig geveegd was. Maar goed, aan de andere kant: met natuurijs gebeurt dat ook niet. Het ijs op Flevonice was trouwens een stuk beter dan vorig jaar. Er was een meter of 200 ribbeltjesijs, voor de rest was het verder redelijk tot goed ijs. Wat mij betreft is de Elfurentocht voor herhaling vatbaar. En het mooiste zou het zijn, als de winnaar van de Elfstedentocht van 2009 dan het startschot zou komen geven. Ik ben in ieder geval klaar voor die Elfstedentocht.

Geen opmerkingen: