vrijdag 28 november 2008

Tevredenheid


Na 10 dagen dicht geweest te zijn, ging de Leidse IJshal vandaag eindelijk weer open. Als je iedere week 3 tot 4 keer naar de ijsbaan gaat, is dat heel gewoon. Tot je er plotseling niet naar toe kunt. Of, zoals de rockband Cinderella het bezingt: "You don't know what you've got, till it's gone".

Voor mezelf betekende dat een week lang andere trainingen. Op donderdagochtend 10 km hardlopen in plaats van 2 uur schaatsen. Op zaterdag was ik aanwezig bij "de laatste ronde" van Gijs Eradus, de kantinebeheerder van Swift, die op 66-jarige leeftijd overleden was en waarvan het stoffelijk overschot op weg naar de crematie nog één keer een rondje maakte over de parkeerplaats bij de Swift-kantine. Aansluitend liep ik een rondje Molenpad van 12 km naar Zoeterwoude met een harde wind en een afwisseling van zon en hagelbuien.
Dinsdagavond slechts 4 km gelopen om de volgende avond in Haarlem te gaan schaatsen bij Jos Fugers. Nu ben ik toch wel goed getraind, maar na anderhalve week niet geschaatst te hebben voelde ik mijn scheenbeenspieren in het begin toch wel. Een rare gewaarwording. Mede hierdoor reed ik in het begin technisch nog niet goed. Jos verwoordde het aldus: "Je rechterbeen is bagger!"
Hij had wel gelijk. Ik heb altijd de grootste moeite om het ijzer van mijn rechterbeen recht op het ijs te zetten. Ik draag een verhoging in mijn schoenen, er zit een wigje om de ijzers rechter te krijgen en desondanks wil het vaak niet goed lukken. "Ik heb last van pronerende voeten. In mijn hardloopschoenen zit een verhoging van anderhalve centimeter."
"Ieder mens heeft recht op een afwijking" zei Jos, waarop ik geheel naar waarheid kon antwoorden: "Gelukkig is dit mijn enige afwijking......"
Nu is het natuurlijk wel opvallend, dat het vooral mijn rechtervoet is, waar ik moeite heb met het recht op de ijzers staan. En daar kom ik dan weer terecht bij de Leidse IJshal. Op deze 200-meterbaan rijd je natuurlijk relatief veel bochtkilometers. En juist bij de bochten hang je naar binnen toe, dus je linkervoet krijgt wel elke keer de compensatie, maar je rechtervoet niet. Integendeel zelfs, in de bocht train je dat been juist op een schuine stand!
Desondanks ben ik zeer tevreden met deze 200-meterbaan op nog geen 3 km van huis. Deze week heb ik kunnen merken, wat ik zou missen, als de Leidse IJshal er niet meer zou zijn.
Wat dat aangaat is het net als in een huwelijk: als je tevreden bent met elkaar, ook als alles niet ideaal is, dan hou je het het langste vol! Ook daarin ben ik een tevreden mens.

donderdag 20 november 2008

Technisch mankement


Op dinsdagmiddag ontving ik een mailtje, waarin stond, dat de IJshal tot nader order gesloten was wegens een technisch mankement. Als ik terugkijk naar de progressie, die ik de afgelopen maanden geboekt heb met schaatsen, heb ik jarenlang met een technisch mankement rondgereden.
Het baanrecord van 120 kilometer oftewel 600 rondjes, dat ik begin januari 1988 in de Leidse IJshal heb gereden, en de 200-kilometertochten die ik vanaf 1991 gereden heb met toch wel een beperkte techniek komen zo toch wel in een ander daglicht te staan: met doorzettingsvermogen en wilskracht kun je dus ook een heel eind komen!!!!
Op dinsdagavond ging het schaatsen niet door. Nu had ik geen enkel excuus om met mijn verkouden kop niet vroeg naar bed te gaan. Op woensdag was de verkoudheid op zijn top, dus ik had zondag erg veel geluk gehad met de Zevenheuvelenloop.
De verwachting is, dat de IJshal maandag weer haar deuren openzet voor het publiek, als het ammoniaklekje gedicht is. Want een week niet schaatsen in het winterseizoen is toch wel lang zat. Aan de andere kant: de TVM-ploeg gaat ieder jaar in deze periode een week trainen buiten de ijsbaan en je kunt toch niet beweren, dat Sven Kramer de laatste jaren slecht gepresteerd heeft.
Ook op donderdagochtend kon ik niet schaatsen, dus onder een zwaar bewolkte hemel ben ik maar een kleine 10 km gaan hardlopen. De bovenbenen voelde ik nog steeds. Normaal gesproken heb je dit alleen als je zeer diep gegaan bent, bijvoorbeeld na een marathon of een wintertriatlon, of als je lang niet hebt gerend, maar van beide was geen sprake. Vanwege de verkoudheid, die ik al onder de leden had, had ik zondag juist op souplesse gelopen en nergens geforceerd. Kennelijk had ik toch meer hersteltijd nodig dan normaal. Hopelijk hebben mijn bovenbenen geen last van een technisch mankement.....

zondag 16 november 2008

Zevenheuvelenloop




Met gemengde gevoelens reisde ik af naar Nijmegen voor de 25e editie van de Zevenheuvelenloop. De vorm was goed, gezien de 1.07 op de 15 km twee weken geleden, aan de onzachte aanvaring met de boarding in de IJshal had ik geen noemenswaardige kwetsuur overgehouden, maar ik had de laatste paar dagen wel last van een verhoudheid. Zou deze een goede tijd in de weg staan? De terreinkennis was goed. Het was de 6e keer, dat ik de Zevenheuvelenloop zou doen, terwijl ik met mijn vrouw Ada vanuit Groesbeek de Nijmeegse fietsvierdaagse gedaan heb deze zomer. Ik citeer uit het vakantiedagboek: "Bert ging de alternatieve Zevenheuvelenloop doen. Hij liep om een uur of 9 naar het begin van de Zevenheuvelenweg, die hij helemaal uitliep om vervolgens dezelfde weg terug te lopen. Het was bewolkt en een graad of 20, een heerlijke temperatuur. Het lopen ging erg soepel. Aan het eind van de Zevenheuvelenweg nog even met een 82-jarige inwoner van Berg en Dal gepraat alvorens weer terug te lopen naar Groesbeek. Op de terugweg nog even gekeken op de Canadese erebegraafplaats. Meer dan 1000 Canadese bevrijders liggen hier begraven. Om half 11 was Bert weer terug op kamer 211, waar hij een keer lekker languit in bad ging. Om 11 uur was hij weer helemaal fris." In het startvak kwam ik Haico Bouma tegen, een topper in het marathonschaatsen van weleer. Zijn naam stond op zijn trainingsjack, dat maakte de herkenning wat eenvoudiger. Eerlijkheidshalve wil ik er wel bij vermelden, dat Haico mij niet kende.... Met de nummer 7 uit de Elfstedentocht van 1986 even staan kletsen over deze fantastisch mooie sport, die hij nog steeds beoefende bij de veteranen, tot we naar voren mochten in het startvak. Terwijl de topatleten, waaronder Olympisch kampioen Kenenisa Bekele uit Ethiopië al 19 minuten onderweg waren en bijna halverwege het parcours, ging deze 53-jarige loper met uit Leiden met nummer 2691 eindelijk over de startstreep. In het startvak had ik met een buurman geintjes lopen maken in de trant van: "Laat die Afrikanen maar even in de waan, dat ze straks het wereldrecord in handen hebben, (ze liepen op dat moment 5 seconden onder het schema van het wereldrecord), straks zullen we het ze wel ontnemen." Op deze bewolkte maar droge zondagmiddag liep is soepel naar een tijd van 24.15 op de eerste 5 km over de weg, die ik tijdens de Nijmeegse fietsvierdaagse iedere dag gefietst had naar de startstreep aan de Waalkade. Het trainingsjack werd na 2 km al om de middel geknoopt. De Derde Baan, een bosweg naar de Zevenheuvelenweg is wat smaller, zodat inhalen hier wat lastiger was, maar op de Zevenheuvelenweg, waar ik op de kale stukken tegenwind nog even mijn loopjack aantrok in verband met de verhoudheid, werd de trainig in de duinen uitbetaald. Ik haalde hier behoorlijk wat mensen in op het zwaarste stuk van de loop. Met 48.01 was de 10 km geen supertijd, maar de tweede 5 km was wel een halve minuut sneller dan de eerste. Nog één flinke klim naar Berg en Dal en dan veelal afdalen. Met 22.52 was de laatste 5 km het snelste. Een keurig aflopend schema, zoals van een stayer verwacht mag worden. Met 1.10.53 zat ik weliswaar een flink stuk van de Ethiopische winnaar Ayele Abshiro met 42.17, maar met mijn tijd was ik 5509e in een veld van 24.584 gefinishte lopers zat ik wel bij het beste kwart. De 1.10.53 was mijn beste tijd op de Zevenheuvelenloop, een bevestiging, dat het met de vorm wel goed zit. Het zwaarste stuk moest echter nog komen: het ophalen van de rugzak met kleren uit de parkeergarage van de Rabobank. De bovenbenen deden behoorlijk pijn bij het afdalen van de steile afrit van de parkeergarage. Maar ja, in deze tijd van de kredietcrisis weten we: als het bij de bank hard naar beneden gaat, doet het altijd wel ergens pijn! Na een functioneel loopshirt van de jubileumeditie van de Zevenheuvelentocht gekocht te hebben, liep ik rustig naar het station. Nijmegen was me dit jaar zeer gunstig gezind: tijdens de natte zomer hadden we in de week van de fietsvierdaagse prachtig weer, de beste week van de zomervakantie. En vandaag was het ook bijna ideaal loopweer. Het was een rijk jaar in het Rijk van Nijmegen.

donderdag 13 november 2008

Meestal gaat het goed

Bij het inrijden op donderdagochtend reed ik met vrij hoge vaart de bocht in, net op het moment, dat Jim Dekkers overstak om zijn schaatsbeschermers aan de kant te leggen. Nu reed hij precies in mijn baan. Ik wist, dat hij een paar jaar geleden een kunstheup heeft gekregen, die absoluut niet mag breken. Na de operatie heft hij zich in een paar seizoenen met veel wilskracht en doorzettingsvermogen weer opgewerkt tot een redelijk goede schaatser. De enige manier om Jim nog te ontwijken was scherp de bocht in te draaien en onder hem door te komen.
Dat onder hem door komen was prima gelukt, want ik ging onderuit en gleed over het supergladde ijs met een aardig vaartje naar de boarding toe. Met mijn schaatsen en gebogen knieën kon ik de val aardig breken, maar daarna gleed mijn bovenlichaam nog half door en kwam ik met mijn bovenrug in onzachte aanraking met de boarding. De laatste keer, dat ik tegen de boarding aangeknald ben, was zo'n 6 jaar geleden, toen iemand naast me onderuit ging en me meenam in zijn val.
Met de schrik in de benen reed ik naar Jim toe. "Sorry, ik heb gekeken en had je helemaal niet gezien." Ton Kamerling kwam er ook bij en samen zaten we geintjes te maken: "Mijn letselschade-advocaat neemt wel contact met je op."
Dit soort dingen kan gebeuren op een ijsbaan. Het is het risico van het vak. Er gebeuren veel bijna valpartijen, maar meestal gaat het gewoon goed door een reflexmatige beweging. Je corrigeert een mispeer of reageert bliksemsnel op een (bijna) valpartij van een ander. De vorige keer, dat ik gevallen ben is ongeveer 2 jaar geleden, toen de ronding bijna uit mijn schaatsen was. Vooral in de bochten heb je dan te weinig grip.
Gelukkig oefen ik aan het begin van ieder seizoen bij de beginnende kinderen op het vallen. Er zijn altijd kinderen bij, die niet durven te schaatsen uit angst om te vallen. Je kunt hen vaak pas schaatsen leren, als ze ervaren hebben, dat vallen niet zo eng is. Trouwens, de meeste kinderen vinden dit de leukste oefening! Ik wist zodoende, dat ik me zo klein mogelijk moest maken om de kans op schade te beperken. Nu kwam deze oefening goed van pas.
De enige schade was een beetje stijf gevoel in de bovenrug en een verrekte spier op mijn borstkas. Op de 13e van de maand kon het erger, of zoals de Engelsen het zo mooi zeggen: "It could be worse." Zo zie je maar: meestal gaat het goed.....

woensdag 12 november 2008

Watje


Op dinsdagavond reed ik in de Leidse IJshal met een lange thermische onderbroek met daarover een salopet mijn rondjes bij een temperatuur van 2 graden boven nul. De temperatuur van het ijs zal zo'n 6 graden onder nul zijn geweest. Op een gegeven moment zag ik een man met lang haar en een baard rijden in een korte broek tot op zijn knieën. Zijn kuiten waren bloot.
Toen het rustig werd op de baan vroeg ik aan hem, of hij geen koude benen had.
"Sorry?"
"Don't you have cold legs?"
"I'm a Russian" was het antwoord.

U weet wel, het volk, dat rustig gaat wakzwemmen bij 20 graden onder nul.
Ik geeft het grif toe: ik ben maar een watje.

vrijdag 7 november 2008

Op het verkeerde been gezet

Met gevoelige bovenbenen als gevolg van het toch wel diep gaan tijdens de Kasteelloop, liep het schaatsen op dinsdagavond het eerste uur technisch niet lekker. Het tweede uur, met nog een man of 20 op de ijsbaan, waren de spieren kennelijk genoeg ontdaan van de afvalresten en had ik ineens weer "het gevoel". De bochten liepen weer beter, de valbeweging ook.
Op donderdagochtend ging ik hier weer mee aan de slag. Bij het inrijden kwam Arthur van Winsen achter me rijden: "Dat ziet er goed uit, Bert, maar je moet je slag met rechts in de bocht verlengen." Na een paar oefeningen kwam ik er achter, wat ik fout deed. Mijn slag met rechts was in de bochten altijd al langer dan mijn slag met links. Ik concentreerde me in de bocht dus altijd op mijn linkerbeen. Daarmee legde ik een verkeerde focus. De meeste winst was met het rechterbeen te halen.
Arthur deed voor, wat ik met mijn rechterbeen deed: ik gleed wel lang door, maar zette gewoon niet goed af! Met deze nieuwe kennis kon ik tijdens de piramide van 10, 20 en 30 ronden en daarna 30, 20 en 10, hier mooi op oefenen. In het begin ging het moeizaam, want wat onwennig. Halverwege deed ik het tweede gedeelte van de bocht goed. Ik ging te hoog zittend de bocht in, waardoor ik onvoldoende druk achterop mijn schaats had om goed af te kunnen zetten. Toen ik daar bewust van was, ging ik dieper zittend de bocht in en ziedaar: het lukte! De bochten liepen veel beter. Na jaren in 5 overstappen de bocht door gekomen te zijn, lukte het nu in 3 keer pootje over. Bovendien liep door de betere afzet met rechts de afzet met links ook beter.
Mijn tandarts had me geholpen met zijn specialiteit: precisie en technische verfijning. Nu wordt het de kunst om deze technische verbetering er in te slijpen en te automatiseren. Dit was dus een schoolvoorbeeld van de bekende blinde vlek voor je eigen gewoontes: door de verkeerde focus op mijn linkerbeen, had ik mezelf op het verkeerde been gezet!

zondag 2 november 2008

Kasteelloop

Zaterdag 1 november was een verregende dag. Uit het grauwe wolkendek vielen de hele dag buien. 's Middags werd ik onder het schaatsenslijpen opgebeld door Carl Flaman. Hij had griep en vroeg of ik om 7 uur zijn training over wilde nemen. Ik had 's avonds geen bijzondere plannen, dus dat kon wel. Tijdens de training werd ik aangeschoten door Gerard van Tol. Er waren twee trainers ziek bij het G-schaatsen. Behalve Carl was ook Theo Schouten geveld door de griep. Ik had mijn schaatsen toch al aan, dus deze les kon ik ook wel overnemen. Dat is het grote voordeel als je al jaren training geeft: je hebt zoveel lesstof, dat je gemakkelijk kunt improviseren.
De volgende ochtend stond "Bosloop de Kasteelronde" op het programma. Op het terrein van psychiatrisch centrum Endegeest was een ronde uitgezet van 2,5 km, die je 1 tot 6 keer kon lopen, voor een groot deel over bospaden. Gezien de hoeveelheid regen van de vorige dag had ik mijn oude sportschoenen maar aangetrokken, die nog bruin waren van de bagger uit Dartmoor. Het weer was, tegen de voorspelling in, mooi. De zon scheen, het was nagenoeg windstil en de temperatuur was een graad of 10: ideale omstandigheden voor een duurloop.
De droogtrainingsgroep van de IJVL was aardig vertegenwoordigd: Andrea Landman, Wil Verbeij, Jos Drabbels en ondergetekende stonden om 11 uur aan de start, de niet-fitte Jaap, de geblesseerde Paul, onze mentale coach, Sophie, Annemarie en Marieke vormden ons supporterslegioen. We startten vrij achterin, maar na het smalle houten bruggetje, waar we bijna een halve minuut moesten wachten, voor we over konden steken, begon de inhaalrace. Met Jos liep ik de eerste 2 ronden gelijk op. De eerste ronde ging in 12 minuten, de eerste 5 km in 23 minuten.
Ik nam een beker water, Jos liep zonder drinken door. Op deze zonnige dag des Heren was ik niet zozeer van God los, maar vooral van Jos los. Er viel een gat van 50 meter, dat ik niet meer dicht kon lopen. Halverwege mijn 15 km in 34 minuten was het gat ongeveer 100 meter geworden, met een tweede drinkbeker liep de achterstand nog wat op. Desondanks liep ik een prima race. De 10 km was volbracht in 44.54, één van mijn snelste 10 kilometers!
Daar de meeste lopers een kortere afstand liepen, kwam ik de vijfde ronde over de baggerige bospaden bijna geen andere veldlopers meer tegen. Zodoende kon je nog meer genieten van de prachtige herfsttinten en het zonlicht, dat door het bladerdek gefilterd werd. In 56 minuten had ik de 12,5 km volbracht. Een toptijd op de 15 km lag in het verschiet. Halverwege mijn laatste ronde haalde ik Andrea in, die volgens haar schema vandaag 70 minuten moest lopen en wat dat betreft ook keurig op schema lag. Daar er geen echte finishstreep was, is het lastig om de preciese tijd te geven:
1.06.59, 1.07 rond of 1.07 en een paar seconden. Gemakshalve houd ik het op 1.07, een verbetering van mijn snelste 15 km met ruim een minuut.
Niet alleen ik ben in vorm, mijn oudste dochter Ike is dat ook: deze week haalde ze haar master psychologie in Utrecht met een 9 voor haar stageverslag. Het bedrijf, waar ze stage gelopen had, was het hier volledig mee eens, want ze kan op 1 december bij het betreffende bedrijf aan de slag.
Andrea kwam een kleine minuut na mij over de finish. Met de hele IJVL-groep reden we naar het huis van Paul en Andrea, waar we koffie en thee dronken en heerlijke soep voorgezet kregen, terwijl we keken, hoe IJVL-lid Laurine van Riessen na een jaar blessureleed zich op de 1500 meter plaatste voor de werelbekerwedstrijden. Terwijl wij van de soep zaten te genieten, liet Paul zich ontvallen: "Vanavond krijgen we eters". Onnodig om te zeggen, dat hij de lachers op zijn hand had.
De volgende ochtend meldde ik trots bij mijn hoofd Irene van der Plas, die ook regelmatig aan het rennen is, dat ik mijn p.r. op de 15 km met ruim een minuut verbeterd had. "Hoe ouder, hoe gekker" was het eerste spontane antwoord.
"En waar heb je gelopen?"
"Een bosloop op het terrein van Endegeest."
"Dan liep je zeker zo hard, omdat je bang was, dat ze je daar zouden houden."
Ach ja, zo kun je er ook tegen aan kijken.....

zaterdag 1 november 2008

Molentocht


In de barre winter van '62-'63 was ik als zevenjarige in de ban geraakt van het schaatsen. Op de Hoofdvaart in Nieuw-Vennep leerde ik voor ons huis de beginselen. De slag had ik al vrij snel te pakken, zodanig dat ik op een windstille zondag twee keer naar Hoofddorp schaatste. Voor een zevenjarige is 20 km wel een dagtaak. De Elfstedentocht van dat jaar, met Reinier Paping als glorieuze winnaar, deed in mij het verlangen ontwaken ooit eens de Elfstedentocht te rijden. Een verlangen, dat met de jaren van Ard en Keessie toenam. De jaren '70 brachten voornamelijk kwakkelwinters, terwijl ik de kunstijsbaan nog niet ontdekt had. De schaatsconditie ging, na een tocht van 30 km als vijftienjarige hard achteruit.
In 1979 verhuisde ik naar Leiden en na een moeizame start op de Menkenbaan kwam ik in de winter op 34 km in tweeënhalf uur. Niet snel daarna viel de winter in en kon ik voor het eerst de Molentocht gaan rijden. Ik moest tot half een in de bibliotheek aan de Breestraat werken, waarna ik naar Hoogmade fietste, waar een tante van me woonde.
Bij tante Rie eerst wat gegeten en gedronken en om 2 uur vertrok ik van Hoogmade naar Roelofarendsveen. De eerste 10 km ging lekker. Ik maakte de klassieke beginnersfout om voor de wind als een Erik Heiden over het ijs te willen flitsen. Na het keerpunt tussen de kassen had ik al snel last van verzuring, zodat de terugtocht naar Hoogmade heel wat langzamer ging. Daarna volgde de moeizame tocht naar De Kaag. Nimmer waren de klanken van André Hazes mij zo welkom als die, die mij bij het keerpunt bij Kaageiland verwelkomden.
De zon was al aan het zakken, toen ik met de wind in de rug vertrok voor de thuisreis. Het zonlicht weerkaatste op de spiegelgladde ijsvlakte op het Kagermeer. Een schitterend gezicht. Wat minder leuk was, was dat de zon daarna onderging, zodat ik om 5 uur in het donker schaatste op voor mij onbekend terrein. In het begin waren er nog wat schaatsers, maar de laatste drie kwartier was ik de enige.Echt prettig vond ik het niet, terwijl ik toch al behoorlijk moe was. Vermoeid gleed ik om 6 uur Hoogmade binnen, waar tante Rie zich al ongerust begon te maken. De jaren daarna was er bijna steeds natuurijs. Wijs geworden startte ik telkens vroeg.
In 1985 haalde ik op de kunstijsbaan 39 km in twee uur, terwijl de verste afstand op de Molentocht 75 km was geworden. In dat jaar kwam totaal onverwacht de Elfstedentocht terug. Ik was echter net begonnen bij de bibliotheek in Katwijk, waar een heel introductieprogramma voor mij was opgezet, zodat ik het gewoonweg niet kon maken om er meteen een halve week tussen uit te knijpen. De paar dagen wachten met inschrijven als lid van de Elfstedenvereniging kostte me de mogelijkheid ooit nog "gewoon lid" te worden. De vereniging was vol en stelde een ledenstop in.
De bluf, dat in 1986 zwartrijders aangepakt zouden worden, weerhield me van de treinreis naar Leeuwarden. Een paar dagen later, op een mooie maar zeer winderige dag in maart, reed ik op de Nieuwkoopse plassen voor het eerst van mijn leven 100 km. Op mijn tandvlees haalde ik de magische grens. Het jaar erop reed ik met mijn vriend Joep Kapiteyn de Molentocht tweemaal achter elkaar, een week later haalde ik met mijn zwager Anton Buijs zelfs 120 km, ditmaal zonder inzinking. De Elfstedentocht werd op het laatste moment afgebeld, zodat ik oud-klasgenoot Peter Joosten, die in Leeuwarden woonde, af moest bellen.
In april 1987 las ik een advertentie van de IJVL, die met de zomertrainingen begon. Een gouden greep! De conditie ging met sprongen vooruit. De eerste de beste keer werd de verste afstand in 2 uur van 39 op 40 km gebracht en langzaam klom ik naar de topper van dat seizoen: 48 km. Voor "Afrika Nu" schaatste ik op de Leidse kunstijsbaan ruim duizend gulden bij elkaar, door 600 rondjes oftewel 120 km te schaatsen.
De volgende kwakkelwinters brachten als toppers 52 en 54 km, terwijl de 10 km in 20 minuten gereden kon worden. De vruchten van de zomertrainingen waren dus duidelijk. In januari 1991 was ik in de vorm van mijn leven. Na een seizoenstart van 50 km piekte ik op 56 km. En zie daar: natuurijs. Na op 7 februari mijn rijbewijs gehaald te hebben in een hevige sneeuwbui, waarbij je heerlijk stapvoets kon rijden en dus alle tijd had om alle handelingen volgens het boekje uit te voeren, en na op 9 februari Johann Olav Koss in Thialf het wereldrecord op de 5 km op 6.41 te hebben zien brengen, zou maandag 11 februari 1991 mijn grote dag moeten worden.
Om kwart voor 5 liep de wekker al af. Snel eruit, een berg brood snijden, een flink ontbijt nemen en om 6 uur bij 4 graden onder nul naar Hoogmade fietsen. Om half 7 was ik bij tante Miep en oom Wim. Een kwartier later waren de nieuwe Vikings ondergebonden en vertrok ik in het donker voor de tocht, die ik inmiddels al heel wat keertjes had gereden. Met een schouderlichtje vertrok ik over de geveegde baan van de Wijde Aa naar de kassen bij Roelofarendsveen. Het ijs tussen de kassen was heel slecht. Veel schotsen en nog meer scheuren. "Slim zijn, Bert" dacht ik, "nu ben je nog fris" en zodoende besloot ik het stuk tussen de kassen 4 keer te schaatsen. Om kwart voor 9 kwam ik de eerste andere schaatser tegen.
Bij het klûnen was een schaatsbeschermer kapot gegaan, zodat ik, terug in Hoogmade, de schaatsen even uit deed om in de schuur van ome Wim de beschermer met tangen te repareren. De eerste 50 km zat erop. Ik besloot nu alles eerst 4 keer te rijden, zodat ik nog 3 keer over de Wijde Aa reed. Om kwart voor 12 had ik zodoende al 80 km achter de rug, toen ik met warme thee in diverse Tupperware-bekers de brug van Hoogmade al klûnend passeerde.
In Hoogmade was het ijs ook bar slecht, net zo slecht als tussen de kassen. In een toeristentempo reed ik tussen de vele scheuren door. Het harmonica-model paste ik consequent toe: 4 keer heen, 3 keer terug, tot de volgende klûnplek. Dit deed ik tot ik bij de driesprong aangekomen was, waar de ronde om De Kaag begon.
Het was inmiddels begonnen te sneeuwen en tijdens de eerste ronde werd het al een heuse sneeuwstorm. Na het bar slechte stuk voor Rijpwetering, waar niet geveegd was en je geen meter normaal kon schaatsen, werd het echt poolachtig. De Kaag opdraaiend sloeg de sneeuw je in het gezicht. Je kon geen hand voor ogen meer zien.
De scheuren zag je ook niet. Het kleine paadje, dat was geveegd, moest ik dikwijls verlaten om anderen in te halen. "Als dit zo door gaat, red ik het nooit" dacht ik. De eerste ronde was een echte martelgang. Ik ben zeker 10 keer gevallen. Gelukkig luwde de sneeuwstorm hierna. Terug in Oud-Ade zag ik op een pas geveegde baan zeker 10 cm sneeuw liggen.
De volgende ronde om De Kaag ging gelukkig veel vlugger, doordat bijna iedereen gestopt was. Het stuk tussen Oud-Ade en Rijpwetering was met die extra centimeters echter zo slecht, dat ik in de derde ronde om De Kaag de man met de hamer tegenkwam. Alle kracht vloeide uit mijn benen op zo'n 170 km. Uit literatuur en eigen ervaring wist ik, dat ik nu veel moest drinken. Vier bekers ijskoud water, een boterham of 2 en vervolgens weer op pad. Bij een huis langs de vaart vulde ik de bekers weer met water, waarna ik aan de laatste ronde om De Kaag begon. De inzinking was inmiddels overwonnen.
In de schemering reed ik over de Kagerplassen, nu voorzien van licht en bekend met de ijsvloer. Om 20 voor 7 deed ik de schaatsen uit, 11 uur en 55 minuten na de eerste schrede.Door het slechte ijs en de dikke laag sneeuw was ik zo'n 40 tot 50 keer gevallen, maar ik had het volbracht. Ik had 200 km geschaatst!
Een kinderdroom was werkelijkheid geworden: door 4 keer de Molentocht te rijden, had ik mijn eigen Alternatieve Elfstedentocht volbracht. En ik durf eerlijk te bekennen, dat het zonder die droogtrainingen van de IJVL niet was gelukt. Erik, John en Pim, bedankt. Jullie werk was beslist niet vruchteloos. En nu is het wachten op de enige echte Elfstedentocht, als kandidaatlid of als zwartrijder. Of op de volgende Molentocht natuurlijk.