Gisterenavond was er in de bibliotheek van de Stevenshof een lezing over fietsvakanties in Europa. Daar onze oudste kleinzoon bleef logeren, ging ik er alleen heen. Mijn vrouw had desondanks een genoeglijke avond, want onze driejarige deed haar dit verrassende voorstel: "Zullen we even gezellig babbelen?" Met 24 andere (potentiële) vakantiefietsers hadden wij ook een gezellige avond. Geert Doeven, secretaris van de stichting Europafietsers, was in 1980 begonnen met fietskamperen. Voor deze oude rot kwam er zeer veel bekends langs zoals het een week van te voren opsturen van de fiets en dan maar hopen dat deze op tijd aankwam. Mijn eerste fietsvakantie stamde uit 1978, toen ik meedeed aan een protestfietstocht van Den Helder naar Esbjerg in Denemarken tegen de vervuiling van de Waddenzee.
Geert Doeven had met zijn vrouw veel Europese landen bezocht en ook een aantal routes gereden in gebieden, waar wij ook hadden rondgereden. Ierland en Engeland had hij veelvuldig bezocht. Zo ook Land's End. Ook de boeken van Bikeline kwamen ter sprake, zoals de R1, die de spreker dit jaar naar Berlijn gaat fietsen. Wij gingen hem voor. Voor ons was het de ontdekking van Duitsland als fantastisch fietsland. Ook Spanje is een favoriet fietsland van Doeven. Voor ons is het eveneens een favoriet vakantieland, maar wij wandelen daar meer in Asturias. Het slot van de lezing ging over het werk van Europafietsers. Grappig detail is, dat twee van de meest gereden routes van de Europafietsers elkaar kruisen in Leiden: de Sint-Jacobs fietsroute en de Limesroute.
Dit punt is de Catherinabrug. We kunnen dus van huis uit starten.
Het was een onbewolkte nacht. Het was dauwtrappen op weg naar het toilet. De tent was door de dauw zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant nat. Met onze koepeltent is het simpel. Je haalt de haringen los, tilt hem met zijn tweeën op en zet hem in de zon en de wind om de tent te drogen. Ondertussen konden we ontbijten. Om 9 uur reden we van camping "Tower Park" af.
We reden zuidwaarts tot de B-weg boven Lamorne. Daar bezochten we the Merry Maidens Stone Circle, een kring van 19 menhirs.
Dalend en klimmend reisden we naar Penzance toe. We stalden de fietsen bij het Tourist Information en kregen een betere plattegrond van London. Daar we erg vroeg waren, konden we rustig rondkijken in de winkelstraten van dit leuke kustplaatsje. Bij het station dronken we cappuccino en chocolademelk in het zonnetje, waarna we in het station poolshoogte kwamen nemen over hoe het fietsvervoer in de Engelse treinen ging. Terwijl ik een oogje hield op onze fietsen, haalde Ada pasties voor onderweg en een gekleurde haarband voor de 4 meiden.
Om 20 voor 1 konden we de fietsen neerzetten in het bagageruim. Helaas moest de bagage er wel vanaf. We wisselden van gereserveerde plaats, zodat we dichter bij de fietsruimte zouden zitten.
Om 13.03 vertrok de trein naar London Paddington. Sommige stukken van het traject waren een feest van herkenning: St. Erth, Hayle, Camborne en Redruth.
Later kwamen daar Totnes, Newton Abbott, Dawlish, Exmouth en Exeter bij, met op grote afstand de kale puisten van Dartmoor.
De reis langs de Engelse zuidkust bij Plymouth leerde ons, dat de Engelse Rivièra ook zeer zwaar zou zijn geweest. De treinreis door het mooie glooiende Engelse land verliep verder gladjes.
Ada las verder in "Ventoux" van Bert Wagendorp, ik begon aan "Hittegolf" van Jet van Vuuren.
Voor London Paddington bereikt was, had ik deze pocket al weer uit. Op de omslag stond literaire thriller. Voor ons moest de thriller echter nog beginnen. We hadden een uur de tijd om ons door het drukke spitsverkeer naar Liverpool Street Station te begeven.
De route was op zich duidelijk, ware het niet, dat niet alle straatnamen er op stonden. In de beschrijving stond alleen een naam genoemd, als er een verandering van richting plaats vond.
Het begon al bij de eerste de beste afslag. Dat had Edgware Road moeten zijn, maar dat was het niet.
Voor ons een dus doodlopende weg.
Via navragen kwamen we terug op de route. Met 10 minuten vertraging, dat dan weer wel. Verder konden we het heel aardig vinden in het spitsverkeer. Af en toe pakten we een stoepje mee, soms sorteerden we wat onhandig voor naar rechts, maar tot New Oxford Street liep alles nog best op schema.
We kwamen na een driesprong op High Holborn. Dat klopte niet. Dit kostte kostbare minuten. We reden High Holborn uit, omdat in die richting Clerkenwel Road zou liggen. Op goed geluk vroeg ik aan een fietsster, die naast ons stond bij de stoplichten: "Is this the right way to Liverpool Street Station?"
"It's the right direction!", kregen we als antwoord, maar toen ze doorhad, dat we Nederlanders waren, bood ze aan om ons naar dit drukke kopstation te brengen.
Reddende engelen bestaan. Hier fietste er eentje met ons mee. Ze leverde ons keurig af bij Liverpool Street. Zonder deze Nederlandse Londenaar hadden we het nooit op tijd gered! En zelfs nu was het nog lastig. Het station ligt in een enorm gebouw, dus we fietsten en stepten daar rond. Onder ons zagen we de treinperrons. Ik zag, welke trein we moesten hebben. We snelden naar de lift en kwamen eerst bij the Undergound uit en toen bij the tickets.
We moesten de fietsen 10 treden ophijsen om daarna op ons perron af te steppen. Tot overmaat van ramp was de fietsenruimte helemaal aan het einde van de lange trein. Een perronbeambte hielp ons om de fietsen vast te zetten. We zaten net in de voorste coupé of de trein zette zich in beweging richting Colchester.
Een spelletje Scotland Yard is spannend, maar dit ritje door London met de fiets doet er beslist niet voor onder. Wat een stressrit was dit!
De reis naar Colchester kwam langs het Olympisch Stadion van 2012. Wij herkenden sommige delen van 3 weken geleden bij het begin van de fietstocht. We moesten er in Manningtree uit. Het begon al te schemeren. We zaten dan ook een heel stuk naar het oosten.
Het laatste stuk van de reis begon met het uit de trein tillen van de bepakte fietsen. We moesten daarmee eerst een trap af en aan het eind van de tunnel weer op. Een zware klus.
In Manningtree zochten we de B-weg langs de Stour, de drooggevallen inham van de Noordzee, die ons naar Mistley bracht. Met de fietslampen aan reden we naar Bradfield, waar we na 30 kilometer fietsen de tent in het donker op mochten zetten op de camping achter de pub "Strangers Home Inn".
Het spreekt voor zich, dat we een afzakkertje namen in de pub op de goede afloop van deze hectische reisdag.
Er wordt wel gezegd, dat men meer slaap nodig heeft als men ouder wordt. Welnu, deze 2 zestigers hebben dat aan den lijve ervaren. Om 10 uur sliepen wij al en met wat kleine onderbrekingen sliepen we door tot 8 uur vanmorgen.
Het had 's nachts geregend, maar de bewolking brak en het zou een zonnige dag worden. We ontbeten achter de tent. Daar zat je uit de wind en in de zon, want het was vanochtend best fris.
Ik las nog een klein stukje in "Erik of het kleine insectenboek" van Godfried Bomans voordat we om half 10 van de camping af reden.
We sloegen linksaf naar de kerk toe, waar we de drukke weg richting Land's End hadden. Na een kilometer konden we deze verlaten voor een zeer rustig weggetje, dat ons naar Sennen Cove bracht.
We hadden een prachtig uitzicht op de inham van de Atlantische Oceaan diep beneden ons.
Wij hoefden gelukkig niet zo ver af te dalen, want halverwege de heuvel konden we linksaf slaan en over een onverhard pad naar Land's End fietsen.
Onderweg ontdekten Ada en ik de ene leuke hoek na de andere.
Doordat de wind in de noordwesthoek zat, hadden we de wind in de rug. Moeiteloos bereikten we het meest westelijke punt van het Engelse vasteland.
In de verte zag je wel de 28 mijl verderop gelegen Scilly-eilanden liggen, net zoals je bij helder weer de Waddeneilanden vanaf de noordkust als een silhouet vaag kunt zien liggen.
We stalden onze fietsen aan de rand van het parkeerterrein en wandelden om het grote Land's End Hotel heen en konden zien, hoe de golven braken op de granieten rotsen.
We kwamen al snel bij de onvermijdelijke wegwijzer met New York 3147 miles en John O'Groats 874 miles. Hier kon je tegen betaling een foto laten maken met de datum, je voornaam en de afstand tot je woonplaats. Welnu, vanaf huis had ik 1251,2 kilometer gefietst.
Daar wij als rechtgeaarde Hollander niet wilden betalen voor een foto, die je zelf ook kunt maken, maakte Ada een foto met het toestel van 4 Nederlanders en deed iemand van dit kwartet het met ons toestel van ons.
We gingen op zoek naar een sticker van Cornwall voor het dagboek.
De drie souvenirshops hadden alleen een grote sticker, maar met een geleende schaar bracht de handwerkjuf de vlag van Cornwall tot de juiste proporties terug.
We wandelden over de klippen en bleven keurig achter de hekjes. Er zal niet voor niets op gestaan hebben, dat het "Dangerous cliffs" waren.
Een val van 50 meter hoogte is immers geen pretje en vanachter het gespannen touw was hier mooi genoeg.
Op korte afstand was het hier al flink klimmen en dalen. Dat ging je aardig in je kuiten voelen.
Voordat we weg gingen van het meest westelijke punt van onze fietsvakantie, namen we cappuccino en warme chocolademelk met koek op het terras aan de landzijde van Hotel Land's End.
We reden terug naar het begin en eindpunt van the Cornish Way, waar we tot Sennen Cove op bleven rijden.
Daarna was de A 30 ons deel tot de afslag naar St. Just. Vlak aan de kust betekent dik klimmen en dalen, maar zonder bepakking gaat het eerste veel makkelijker.
Vlak voor St. Just kwamen we een Farm Shop tegen, waar we een potje jam kochten. Hoger op de heuvel zagen we een bank met een mooi uitzicht op de klippenkust onder ons. Nadat alle proviand voor de dag op was, reden we St. Just in. Dit oude mijnwerkersstadje met zijn granieten huizen zag er minder grauw uit dan in de reisgidsen was voorgespiegeld.
We daalden lichtjes af naar Cape Cornwall. Land's End is mooi, maar deze vrij onbekende kaap is veel mooier en puurder. We stalden de fietsen bij de golfbaan en liepen het steile stuk naar beneden.
Hier kon je de kaap beklimmen.
Zo liepen we een meter of 10 boven zwart uitgeslagen granieten rotsen, waar de woeste golven melkachtig wit op kapotsloegen.
Het water was in het zonnetje turquoise-kleurig. Welke kant je ook opkeek, alles was mooi, de twee parkeerterreinen buiten beschouwing latend.
Minutenlang genoten we van het schouwspel van aanrollende metershoge golven, die gebroken werden. In een van die golven dreef een zeehond rond.
We beklommen Cape Cornwall tot de toren van de oude tinmijn, waar ik iets bijzonders meemaakte. Ik heb al heel wat keren een roofvogel van onderen gezien, maar vanaf een meter of 40 hoogte zag ik dit keer een vliegende roofvogel van boven.
Van boven zagen we ok de kinderen, die aan de luwe kant van de kaap in het water aan het spelen waren. Op weg naar de fietsen daalden wij ook af naar zeeniveau. Op de helling trok ik mijn schoenen en sokken uit en ritste de pijpen van mijn broek. Ik ging pootje baden.
Het water voelde koud aan, maar op de schuin aflopende helling wende je er snel aan. De golven hadden telkens ongeveer dezelfde kracht, dus je kon goed berekenen, tot hoever je kon lopen.
Tot die ene hogere golf kwam. Ik moest dit pootje baden met een natte bovenbroek bekopen.
Nu we het toch over kopen hebben: op het parkeerterrein kochten we een Cornish ice cream, in het centrum van St. Just appels, bananen, snijbonen, komkommer, brood en 2 pasties.
Via Sancreed reden we over een van de hoogste toppen van dit schiereiland. Dientengevolge hadden we een prachtig uitzicht.
Alles wat we de afgelopen 2 dagen hadden gezien, passeerde hier nogmaals de revue, van St. Michael's Mount tot Penzance, van St. Bunyan tot Land's End.
Terug op de camping reed ik om 5 uur nog even door naar de Londis-winkel voor wat inkomen voor vanavond en morgen.
Met 40 kilometer was er sprake van een soort rustdag. We aten de pasties met snijbonen en yoghurt. Ik las "Erik" van Godfried Bomans uit, terwijl Ada verder ging in "Ventoux" van Bert Wagendorp.
's Avonds zaten we in de televisiekamer lekker uit de wind, waar Ada verder las en ik onder het genot van een Cornish Arvor het dagboek bijwerkte.
Geboren en getogen in Nieuw-Vennep in een gezin met 12 kinderen en sinds 1979 woonachtig in Leiden. Mijn vader was de oprichter van het transportbedrijf B.Breed & Zonen in Nieuw-Vennep, dat nog steeds bestaat.
Ik ben in 1983 getrouwd en vader van 4 kinderen.
Ik train al sinds mijn verhuizing naar Leiden voor de Elfstedentocht en ben uiteraard een groot liefhebber van schaatsen op natuurijs.