woensdag 13 augustus 2008

Tegenwind


Bij het rijden van een toertocht, krijg je vrijwel altijd met wind te maken, daar het in ons vlakke land bijna nooit windstil is. Het schaatsen met wind zijn velen verleerd, doordat vrijwel alle ijsbanen tegenwoordig overdekt zijn.
Nu bestaat er een groot verschil tussen het rijden met meewind (de tips daarover komen in de volgende IJskout) en het rijden met tegenwind. Doordat je tegenwind hebt, zul je, voor het ontwikkelen van snelheid, veel meer luchtweerstand moeten overwinnen. Daarnaast krijg je te maken met de befaamde windchillfactor. Op wikipedia staat een prachtig staatje, hoe de windchill uitpakt bij welke temperatuur en windkracht. Een temperatuur van –4 voelt bij een windsnelheid van 12 meter per seconde (windkracht 6) aan als –23! Bij meewind heb je geen last van de windchill, je gaat immers met de verplaatste lucht mee.
Het schaatsen met tegenwind vraagt om aanpassing van je slag. Doordat je meer luchtweerstand moet overwinnen, kun je minder lange slagen maken dan op de windstille banen. En dat is helemaal niet erg, want doordat natuurijs werkt, zitten er scheuren in het ijs. Met een kortere slag kun je beter deze scheuren ontwijken dan met lange klappen. Kortom, een prikslag is op natuurijs helemaal zo gek nog niet. Evert van Benthem won er in de jaren ’80 niet voor niets twee keer op rij de Elfstedentocht mee. De prikslag is wel iets, wat je moet oefenen: als je altijd alleen maar lange slagen maakt, is het moeilijk om over te schakelen naar een kortere slag met, onvermijdelijk, een veel hogere slagfrequentie. Nu heb ik makkelijk praten, omdat ik van nature al met een prikslag rij, deels als gevolg van een matige techniek, maar op natuurijs heb ik hier, zeker met tegenwind, veel profijt van.
Met tegenwind wil je natuurlijk zo min mogelijk wind vangen. Om dit te bereiken zijn er 2 methodes: jezelf zo klein mogelijk maken of in een groepje rijden en dan om beurten kop nemen. Aan dit pelotonrijden zal ik een keer speciaal aandacht besteden in toertochttips.
Het jezelf klein maken kun je op 2 manieren bereiken: door diep te zitten of door je bovenlichaam zo ver mogelijk voorover te buigen.
Diep zitten heeft als voordeel, dat je meer snelheid kunt maken, doordat je je afzetbeen verder uit kunt strekken. Het heeft echter ook een nadeel: je houdt het niet zo lang vol, doordat je benen “vol” lopen. Kijk maar eens hoe diep schaatsers zitten met de 500 meter en met de 10 kilometer. Bij de laatste afstand zit men al veel minder diep. Hoe langer de afstand, die je af wenst te leggen, des te hoger je moet gaan zitten om het vol te kunnen houden.
Blijft dus over: je bovenlichaam zo ver mogelijk voorover buigen. Dit zul je het hele seizoen al moeten oefenen. Denk niet, dat je dit zomaar eventjes kunt, als er natuurijs ligt! Vooral je rugspieren moeten hier goed op getraind zijn. Je moet deze houding soms een paar uur achter elkaar vol kunnen houden, afhankelijk van de afstand, die je af wenst te leggen.
En hier hebben we meteen het punt, waarom de Elfstedentocht zoveel zwaarder is dan welke andere 200-kilometertocht: als je bij Stavoren tegenwind krijgt, heb je dat 100 kilometer lang.
Er is vrijwel geen punt, waarop je je rug even kunt strekken.
Natuurlijk kun je wel trainen op tegenwind: allereerst op de ijsbaan in Haarlem, liefst met windkracht 7 of 8. Als Haarlem overkapt is, is de Jaap Edenbaan een prima alternatief. Een nog beter alternatief komt mogelijk over een paar jaar in zicht: Jan Maarten Heideman is bezig om bij Biddinghuizen een kunstijsbaan van 5 kilometer van de grond te krijgen. Als deze baan er is, kun je daar op een winderige dag uitstekend oefenen op zowel de prikslag als op het diep voorover buigen van de romp.
In het zomerseizoen is echter ook goed te oefenen. Juist als er veel wind staat, kun je tegenwind rijden oefenen op skeelers. Je kunt op zo’n dag ook ook een lange fietstocht door de polders maken, met als extraatje een gratis snelheidstraining als je de wind in de rug krijgt.
Vooral op de racefiets heb je de houding van de romp, die je met schaatsen tegen de wind in ook moet hebben: zo aerodynamisch mogelijk.
Door het rijden tegen de wind in, krijg je meer kracht in je benen. Deze kracht heb je hard nodig, als je op natuurijs tegen de wind in moet beuken. Zelf heb ik wel eens op natuurijs gereden met windkracht 8. Als je stil stond, werd je op je schaatsen achteruit geblazen!
Een andere mooie training is op zo’n dag naar het strand te fietsen en op het strand te gaan hardlopen. Na afloop ben je kapot, maar de basis voor (tegenwind) schaatsen op natuurijs wordt in de zomer al gelegd. Want ook het rijden tegen de wind in is te oefenen!


Geen opmerkingen: