Siebe had weer een fraai uitzichtspunt voor ons uitgezocht in de Picos de Europa. Alleen de weg er naar toe was al een feest. In februari had Siebe hier samen met Peter van Dijk, eveneens een Swabo-renner, die nu voor een wielerploeg in Pamplona rijdt, veel in de bergen getraind. zodoende kende hij het gebied op zijn duimpje.
Vanaf El Carmen nam Siebe allerlei stille, smalle slingerwegen. Om iedere bocht was er weer een ander mooi uitzicht. En we stegen maar hoger en hoger, tot we uitkwamen bij ons uitzichtspunt: mirador Pico El Fito.
Zonder twijfel is dit een van de meest bijzondere uitkijkpunten in Europa. Op een hoogte van ruim 500 meter keek je uit over én de zee én besneeuwde bergtoppen van ruim 1000 meter hoog. Er werden hier heel wat foto's gemaakt. Iedere kant van dit panorama, met een diep dal beneden ons en een piek van 1100 meter achter ons, was mooi. De reclameslogan "Asturias Paraiso naturel" klopt helemaal!
Vlak bij dit punt streken wij neer om op deze zonnige dag te picknicken, voordat Siebe ons door de bergen heen reed naar een plek, waar we zouden gaan wandelen: Pico Ordiyon, vanuit het dorpje Miyaris. De wegen waren hier smal en steil en in sommige bergdorpen reden we over de kasseien.
Nog steiler was de klim over de onverharde weg naar de "Alpenweiden van Asturias". Vanuit Miyaris klommen we maar door. Tot 2 keer toe werden we ingehaald door een Landrover met 3 vrouwen en een kind erin, die kwamen inspecteren of alle koeien er nog waren.
Na 4 prikkeldraadhekjes kwamen we in een weiland, waar het nog steiler was. Dit was slechts het begin, Hier begonnen de kalksteenrotsen. Siebe klom kwiek door, ik volgde op gepaste afstand en Ada zat daar weer een heel stuk achter. Ada haakte hier af en ik vond het ook welletjes. De top zouden we toch niet bereiken en een kleine misstap en ik zou de marathon van Leiden op mijn buik kunnen schrijven.
Genietend van het wederom schitterende uitzicht aten we een stuk brood, terwijl zoonlief nog even doorklom.
Hij is inderdaad meer topsporter dan zijn vader.
Op de terugweg, waarbij je goed uit moest kijken om niet weg te glijden, zagen we vanaf het weiland Ana's boerderij bij het dorpje Fuentes liggen. Fuente betekent trouwens gewoon fontein of bron.
Maar ja, als wielrenner heb je tegenwoordig een groot probleem, als je zegt, dat je naar Fuentes bent geweest....
We daalden al pratend af en beklommen een lagere heuvel, voor we naar de auto wandelden. Siebe had ons opnieuw op een leuke dag getrakteerd. Hij zou ons afzetten bij het treinstation van Villamayor. Hier was het enige smetje op de verder door onze enige zoon prima geregelde vakantie: hij had zich in de tijd vergist. Bij het zoeken op internet had hij de aankomsttijd in Ribadesella aangezien voor de vertrektijd in Villamayor. De volgende trein ging pas om 20.12, dus bijna 3 uur wachten.
Geen nood, misschien gingen er bussen. Daar gold zo'n beetje hetzelfde voor. Derhalve bracht Siebe ons naar het 12 km verder gelegen Arriondes, het streekcentrum, van waaruit meer openbaar vervoer naar Ribadesella ging. Hij reed zelf weer terug om een paar uur te gaan trainen op de steile hellingen rond Villamayor én om Ana te zien. Wij zouden haar de volgende dag weer zien.
Siebe bracht ons met zijn auto naar Covadonga, midden in de Picos de Europa. De prachtige weg voerde langs Arriondas. We klommen steeds hoger in dit schitterende gebergte, waarbij we de Sella diverse keren kruisten.
De hoeveelheid restaurants en hotels lieten zien, dat we een toeristische plaats naderden. En dat was Covadonga zonder meer.
Het was prachtig gelegen én een historische plek in Spanje. Don Pelaya versloeg hier de Moren in 722 met 300 man tegen een enorme overmacht. Het was het begin van de Reconquesta. Het lijkt een beetje op het verhaal van Asterix en Obelix. Heel Gallië was bezet, behalve een dorpje.
In die tijd beheersten de Moren het hele Iberische schiereiland, behalve een smalle kuststrook in het noorden van Spanje.
Aan de ingang van de hooggelegen grot was tevens een beeld van Maria, de maagd van Covadonga, een van de meest bezochte monumenten van Asturias.
Door een tunnel wandelden we naar de basiliek. Hier stond een groot beeld van Don Pelaya op het plein. In de mooie uit roze-witte stenen opgebouwde kerk hing de onmiskendare geur van wierook. Vanaf het plein voor de basiliek was het uitzicht naar alle kanten toe magnifiek.
We reden terug naar de kust en hadden een tussenstop in Cangas de Onis, de eerste hoofdstad van Asturias. Hier was een steile brug uit de Romeinse tijd te zien, die we uiteraard beklommen.
Op een terrasje hebben we voor het eerst deze vakantie sidra gedronken. Deze sprankelende appelwijn wordt vanaf hoogte in het glas geschonken. Ada weigerde, ondanks dat Siebe het vijf keer zei, het glas in één teug leeg te drinken. Nee, dan deed ik het toch beter!
Even voorbij het plaatsje Fries, dat meteen associaties met de Elfstedentocht opriep, werden we door Siebe uit de auto gezet. En dit keer niet wegens wangedrag!!!
We konden vanaf Cuevas een mooie wandeling naar huis maken. Het begon al leuk. We moesten de Sella oversteken via een metalen "touwbrug". Deze slingerde, zodra je er een voet op zette. Kun je nagaan, hoe het was, toen we er met zijn vieren over heen liepen. Het leek meer op een kermisattractie dan op een brug.
Net voorbij Cuevas wachtte ons een enorme verrassing. We moesten onder een berg door via een natuurlijke tunnel. En waar we in de grot gisteren niet mochten fotograferen, was dat hier wel toegestaan. Onvoorstelbaar. Wat zit de natuur toch mooi in elkaar!
Buiten de tunnel kregen we op deze verder droge en vaak zonnige dag toch een bui op ons hoofd, die gelukkig al snel ophield. Een oudere man, die hier met een stok in de hand liep te wandelen, kreeg van de Guardia Civil een lift. We nemen maar aan naar huis...
Na wat klimmen en dalen passeerden we de A8 en liepen in het zonnetje naar El Alisal. Vele foto's later waren we in Ribadesella, waar Siebe net aan kwam rijden op zijn racefiets.
We hebben aardig wat meters gewandeld in en om het kuststadje Ribadesella in Asturias. Terwijl Siebe naar zijn vriendin Ana was, wandelden we op de dag van aankomst met zijn vieren in de avond naar een hoog uitzichtspunt boven Ribadesella. Het was een sprookjesachtig gezicht met alle lichtjes van de stad, de baai en de klippen.
De dag erop wandelde ik met Ada de Circuito de los Caleros, een rondwandeling van ruim 7 km. Het begon meteen goed. De route liep bijna langs het huis zonder verwarming, waar we verbleven. We liepen achter de school langs, waar we op uitkeken. Over de Puento del Pilar passeerden we de Rio San Pedro, waarna het klimmen begon. Onder een boom zaten we op een verhoging van keien te picknicken, genietend van het majestueuze uitzicht.
Onderweg, op een rustig weggetje, zagen we wat een calero is: een kalkoven. Onderweg zagen we, dat er een bordje van een paal. Wij kozen ervoor om rechtdoor te lopen, maar zo misten we het tweede deel van de route. Desondanks was het ook erg mooi. Vooral op de plekken in de afdaling, waar je goed zicht had op de Picos de Europa.
Hier zagen we bomen, die we niet thuis konden brengen. Het waren grote bomen, die hun schors verloren en hun rechte stam kreeg een gladde grijsbruine laag, die net zo dus is als de buitenkant van een berk. Later hoorden we van Ana, dat dit een eucalyptusboom is. Zij verbruiken zeer veel water. Onder deze bomen wil bijna niets meer groeien.
Na "thuis" thee gedronken te hebben, gingen we op zoek naar de voetafdrukken van dinosaurussen. Eerst liepen we de wandelpromenade af. Daar hing een grote kaart, waar net een paar cruciale punten door vandalen doorgekrast waren. Wij kozen er voor om een heuvel te beklimmen, tot we bij een groepje huizen aankwamen. Nergens stond een bord, dus wij probeerden een paar paden.
Eén ervan liep constant naar beneden, zodat wij vrij dicht bij de klippen konden komen. Helaas niet dicht genoeg. Een meter of 10 erboven liep het kaarsrecht naar beneden.
Nog een pad geprobeerd, maar dat liep dood bij een klein huisje. We liepen terug en zagen op een pad op zo'n 100 meter voor ons een vrouwtjeshert. We hadden dus van alles gezien, behalve datgene, waarnaar we op zoek waren: de afdruk van dinosauruspoten.
De dag erop nam Siebe ons mee naar Villaviciosa, waar hij plaatjes voor de trappers van zijn racefiets moest halen bij de fietsenmaker. We waalden door dit leuke stadje en kochten wat souvenirs, voordat Siebe ons naar Lastres bracht, een pittoresk dorpje aan de kust. Er waren bankjes bij het uitzichtspunt, waar Siebe zijn Peugeot parkeerde. Je keek uit over de baai, de bergen en de landtong in de verte. Het zonnetje scheen, terwijl je in de bergen in de verte een bui zag hangen.
We wandelden door de smalle, kronkelige straatjes van Lastres, voor we op onze mirador ons brood opaten, terwijl een drietal duikers druk in de weer waren tussen de rotsblokken in het heldere water.
We reden terug naar Ribadesella, waar we om kwart over 3 met 7 personen onder leiding van een gids de grot in gingen. Siebe vertaalde de belangrijkste zaken in het Nederlands, zodat we een beetje konden volgen, wat de Spaanse gids vertelde.
De grot is genoemd naar Tito Bustillo, die 18 dagen na de ontdekking verongelukte. Behalve door prachtige stalagmieten en stalactieten is deze grot vooral bekend om zijn wandschilderingen van met name paarden van zo'n 15.000 jaar oud.
Er mogen per dag een kleine 400 toeristen deze tegenhanger van Altamira en Lascaux bewonderen. Na een uur ondergronds te hebben doorgebracht, wandelden we vanuit de prehistorie zo de 21e eeuw in aan de Costa Verde.
De volgende morgen sliep de jeugd uit na een nacht stappen in Arriondes. Ada en ik gingen wandelen. We liepen eerst naar de Playa de la Atalaya. Daar zagen we een vrouw van een onverhard pad af komen. Dat leek ons wel wat, zo'n pad over de klippen. Op het eerste gedeelte zagen we een kleine slang roerloos op het pad liggen. Wij klommen verder en het pad werd steeds onbegaanbaarder. Maar goed, vergeleken met Dartmoor viel het erg mee. Gaandeweg kwamen er steeds meer doornstruiken en op een gegeven moment werd het behoorlijk ondoordringbaar. We daalden dus maar af en volgden een vaag spoor door het hoge gras. Tenslotte kwamen we uit op de weg, die we donderdagavond hadden bewandeld.
Zo kwamen we bij het station uit. Hier raakten we aan de praat met een Duitssprekende inwoner van Asturias, die in de Picos de Europa geboren was. Hij vertelde ons over 2 Nieuw-Zeelanders, die met een tentje 2 maanden lang de Picos doorkruist hadden, met soms een paar klimmen en afdalingen van een kilometer hoogte op een dag! Ze waren op zoek naar bijzondere planten.
Na naar het voetbalstadion gelopen te zijn, keerden we we terug naar ons huis aan de Calle de Dionisio Ruisanchez, waar de jeugd om half 1 net ontbeten had.
Anders dan te titel doet vermoeden, heeft dit stukje niets met drank te maken. Daar het in het Argadal flink regende, had Siebe een prima alternatief voor ons bedacht. Om een uur of 1 vertrokken wij op deze maandagmiddag richting Pamplona en na getankt te hebben reden we naar Foz de Lumbier.
Naarmate we verder van Pamplona kwamen, werd het droger en bij Lumbier scheen de zon zelfs. We parkeerden voor € 2,- en klommen omhoog, waar we op een plek met mooi uitzicht lunchten. Tientallen gieren zweefden boven ons hoofd. Wat een enorme vogels zijn dat!
We klommen steeds hoger, met links van ons de kale bergtoppen, rechts van ons bomen en struiken en achter ons en later voor ons een prachtig dal.
Op de wandeling kregen we op diverse punten uitleg van geoloog Siebe Breed. Na de schapenwei volgde een steile afdaling met gesteenten, gevormd toen het nog een zeebodem was. Siebe wees op de fossiele zeediertjes op 800 meter hoogte.
Ook vonden we gesteenten met kristallen.
We daalden af naar de Erro en liepen vlak tot de oude spoortunnel. We konden nog even doorlopen naar de ingestorte Puento del Diablo. Vooral het laatste stuk was vrij link. Daar het hier doodliep, daalden we weer af naar de tunnel. Halverwege had je een bijzonder lichtval.
Na de eerste tunnel konden we een kilometer door de kloof lopen. Bergwanden hingen al eeuwenlang dreigend over het pad heen. De zwevende gieren, die hier hun nesten hadden, maakte het beeld van natuur, waar de tijd heeft stilgestaan, compleet. We genoten met volle teugen.
In Lumbier dronken we koffie, thee en chocolademelk en aten heerlijke koeken, terwijl de regen naar beneden kwam zetten. De bui had eindelijk deze droge omgeving weten te bereiken. In de regen reden we naar de Foz de Arbayun, een kloof, die we vanaf het hooggelegen uitzichtspunt bekeken. Wederom, je keek je ogen uit.
Siebe rijdt voor de ploeg Reyno de Navarra-Telco. De hoofdsponsor is het VVV van de provincie Navarra. En Siebe bracht ons als een voorbeeldige reisgids naar de mooiste plekjes van het voormalige koninkrijk Navarra.
In de Middeleeuwen hadden mensen een veel groter zondebesef dan heden ten dage. Seksueel misbruik door priesters kwam toen niet voor.
En degenen, die een flinke misstap begaan hadden, konden als boetedoening voor hun zonden als pelgrim naar Santiago de Compostella lopen.
Tegenwoordig is dit een druk bewandeld pad. Nu wil het toeval, of moet ik in dit geval spreken over het lot, dat wij in ons schitterend gelegen huisje in Osteritz in de provincie Navarra, uitkeken op dit pelgrimspad. Honderden moderne pelgrims waren iedere dag te zien op de Camino de Santiago.
Wij hadden voor vertrek uit Nederland het boekje "Spaanse St. Jacobsroute" van Dietrich Höllhuber gekocht.
In dit boekje stond het deel van de Camino de Santiago, dat langs Osteritz kwam, uitgebreid beschreven. We besloten derhalve op zondag als pelgrim naar Pamplona te wandelen. Niet dat ik een pelgrimage nodig had, volstrekt niet zelfs, maar uitsluitend voor de mooie natuur.
Eenieder die mij kent, weet dat ik als een braaf en oppassend burger door het leven ga. Vergeleken met mij is Jan Peter Balkenende maar een doerak en een wildebras.
Nee, dan mijn trainingsmaat van de donderdagochtend in de Leidse IJshal, Jim Dekker, die als Pelgrim Jim verplicht was om het hele eind naar Santiago en terug te fietsen. Nou, dan weten jullie wel, wat hij allemaal op zijn kerfstok had....
Op een bewolkte zondag vertrokken we om kwart over 10 bepakt en bezakt dan wel tiptop verzorgd, voor onze wandeling naar de hoofdstad van Navarra over het Camino de Santiago. Het eerste stuk was bekend van de dag ervoor: Illaratz en Ezrirotz. We volgden de Rio Arga tot Larrasoña, waar voorlopig de laatste gelegenheid was om wat te drinken. De lokale herberg was echter gesloten, maar geen nood: je kon er prima drinken krijgen uit een automaat. Ik deed de benodigde munten er in en drukte op de daarvoor bestemde knoppen. Vervolgens gebeurde er niets.
Nee, dan Ike, die had meer succes. Zij wierp in de belendende automaat € 1,20 voor een stevige koek. Deze kwam zo ver naar voren, dat hij niet viel. Nieuwe ronde, nieuwe kansen: weer € 1,20 en de eerste koek kwam een paar centimeter naar voren.
Nu stonden we als echte Hollanders voor een dilemma: nog een keer geld verspelen of gewoon het ouderwetse "schudden voor gebruik"? Wij kozen voor de tweede optie.
Zo hadden we, na € 3,10 in twee automaten gegooid te hebben, toch nog een koek van € 1,20 én een kleine lekkage in de drankautomaat. Maar die weigerachtige automaat moesten ze toch al repareren....
In het wisselvallige weer, waarbij de regenjas de hele dag aan en uit ging vanwege de stijgingsregen, klommen en daalden we constant in het berggebied tussen Akerreta en Zurlain om op een mooi uitzichtspunt boven Irotz te gaan lunchen.
Verder klimmend en dalend door deze uitlopers van Los Pirineos liepen we tussen allerhande peregrinos. Zo kwamen wij in Villava, de geboorteplaats van vijfvoudig Tourwinnaar Miguel Indurain. Over de Middeleeuwse brug kwamen we bij het klooster en de resten van de watermolen van Villava.
Villava ging naadloos over in Burlada en via een park kwamen we in Pamplona aan. Via de Franse poort wandelden we deze mooie stad binnen, waar we Siebe troffen op de Plaza del Castillo. Onze coureur had vandaag een wedstrijd gereden op 150 km van Pamplona. Met Siebe als gids kregen we de mooie plekjes van Pamplona te zien, zoals de stadswallen.
Hij reed ons terug naar Osteritz, waarbij de autorit een feest der herkenning was. Waar wij uren over deden, daar deed de Peugeot een kwartier over.
Ada kookte het eten. Er zaten 4 braadworsten bij, die met touwtjes aan elkaar vast zaten. Bij het keren van de worsten vielen deze in de jus en de spetters zaten op haar vest. Terwijl de macaroni met bloemkool op stond, ging Ada haar vest schoonmaken. Dat had ze net zo goed niet kunnen doen, want toen ze als laatste haar worst uit de braadpan haalde, viel deze van haar vork af, in de jus. Haar vest zat nog erger onder de vlakken...
Ja, dat krijg je er van, als je commentaar hebt op anderen.
Toen ik met de handige rugzak met een ritssluiting aan de voorkant wandelde, betitelde Ada dat als: "Bert in het tuigje!"
De wandeling was zo goed bevallen, dat we besloten om het deel van Roncevalles naar Osterlitz ook te gaan lopen. Siebe zou ons daar met de auto afzetten en daar een paar Pyreneeëntoppen beklimmen op zijn racefiets en wij zouden langs het pelgrimspad afdalen.
Er kwam echter een kleine kink in de kabel in de vorm van het weer. De rest van de tijd, die wij in het dal van de Arga verbleven, kwam de regen met bakken uit de hemel. De Arga werd wel 4 keer zo breed als op zaterdag!
Een echte pelgrim zou zeggen: "Alle zegen komt van boven", maar terwijl wij de peregrinos de hele dag langs zagen lopen als verzopen katten, stelden wij het bezoek aan de door het Middeleeuwse "Roelantslied" bekend geworden Roncevalles tot de laatste dag uit. Terecht, want op dinsdag was de maximumtemperatuur 's middags 3 graden. Boven nul, dat nog wel.
Op woensdagmiddag reden we met de Peugeot 309 naar Roncevalles. Over de kronkelweg reden we via Erro naar steeds groter hoogte. Eerst een pas van 700 meter, toen van 800 om tenslotte te eindigen in Roncevalles op ruim 900 meter. In het beukenbos lag al aardig wat sneeuw. Een bizar gezicht: bomen vol in blad en een flinke lading sneeuw op de bodem.
In Roncevalles lag nog veel meer sneeuw. Siebe moest goed zoeken naar een parkeerplaats, want er lag minstens 10 cm. Bij het oude klooster was de sneeuwhoogte nog veel groter. Van het schuine dak kwam af en toe een flinke lading naar beneden zetten. Bij de ingang dan dit Middeleeuwse klooster lag een berg van wel 50 cm. Het was smeltende sneeuw, dus je zakte er wel 10 cm in weg en dat betekende natte voeten.
We bezochten de kerk met de mooie gebrandschilderde ramen. Voor een katholieke kerk was het een vrij sobere, terwijl dit toch het beginpunt was van de Camino de Santiago. We bekeken ploegend door de sneeuw, het plaatsje een beetje, om in de herberg even op temperatuur te komen met warme drank.
Op de terugweg nam Siebe een smal bergweggetje naar Sorogain Lastur. Op besneeuwde wegen door de bossen daalden we af, met soms een beek op 50 meter onder ons. Vlak voor de Franse grens, in de weilanden tussen de Adi (1457 meter) en de Sorotepa (1152 meter), is normaal gesproken een prachtig uitzichtspunt. Nu hing er een nevel met een zicht van ongeveer 100 meter.
We zaten niet zo ver van de Franse plaats Aldudes, die bij mij associaties opriep met "All the young dudes" van Mott the Hoople.
Dit was trouwens een deel van één van Siebes trainingsrondjes, met vanaf de Franse kant 20 km klimmen! Via Birkarreta reden we door het ondanks het slechte weer prachtige Pirineos naar Erro en vandaar naar Zubiri, waar ik uitstapte om geld te pinnen en brood te halen.
De verwarming in Palacio de Osteritz werd weer hoog gezet en dat was geen overbodige luxe. Want op de voorpagina van een Spaanse krant, die ik bij de bakker zag, stond een foto met pelgrims in de sneeuw, met als onderschrift dat deze "peregrinos" de koudste mei in 130 jaar meemaakten.
Door een speling van het lot had ik een vreemde voorbereiding op de marathon van Leiden a.s. zondag. Doordat we bijna 2 weken vakantie hadden in Noord-Spanje, waar onze zoon Siebe sinds anderhalf jaar verblijft als amateurwielrenner, was het schema, wat ik al 7 jaar gebruik voor de marathontraining, lichtelijk aangepast. Normaal gesproken loop ik mijn laatste 30 km 2 weken voor de marathon, nu was dat 3 weken ervoor.
We vlogen op Koninginnedag vanuit Charleroi naar Zaragoza.
Vandaar reden we met de bus naar Pamplona, waar Siebe ons oppikte en ons naar onze vakantiewoning in de bergen bracht. We zouden 6 nachten slapen in Palacio de Osteritz. Nu is het niet zo slim om in een onbekende omgeving meteen 30 km te gaan hardlopen. Vooral omdat het in de Pyreneeën niet bepaald vlak te noemen is. Kortom, ik had dit keer een rustperiode ingelast van 3 weken i.p.v. 2. Zondag zullen we zien, hoe dat uitpakt.
Nu zullen er ongetwijfeld mensen zijn, die denken, dat je in de rustperiode niets doet. Dat is niet bepaald het geval. Je traint alleen minder in omvang. Ik loop dan 3 keer per week 5 tot 10 km. Ik ken genoeg mensen, die dit zeer veel vinden....
De eerste keer liep ik op zondagochtend slechts 4 km. Ik liep van Osteritz naar Zuberi, waar ik boodschappen ging halen voor het avondeten. Ik moest afdalen op een glibberig pad, dus dat vereist enige behoedzaamheid, temeer daar ik mijn kuitspieren al vanaf de eerste meter voelde. Hoe goed getraind de spieren ook waren, het wandelen in de bergen, wat we de dag ervoor gedaan hadden, is toch iets heel anders. Dat voelde ik dus meteen.
Met een rugzak vol boodschappen rende ik tussen de wandelende pelgrims van de Caminio de Santiago door de heuvel weer op. Het waren dan niet veel kilometers, doch de rugzak en de klim maakten het toch redelijk pittig. Vooral omdat we die dag nog een kilometer of 20 zouden gaan wandelen in dit deel van de Pyreneeën.
De tweede keer was op een zeer regenachtige dinsdag. Het pad was onbegaanbaar, dus ik liep over de weg naar Zubiri, zodat ik 6 km liep op deze dag in mei, waarin de maximumtemperatuur 3 graden zou worden. In de hoger geleden delen van de Pirineos viel sneeuw! Ik haalde brood in Zubiri. De terugweg naar Osteritz was een stuk zwaarder: grotendeels bergopwaarts. De pergrims waren ook weer op weg op deze koude, regenachtige dag. Ik haalde hardlopend in korte broek een groep van 8 peregrinos in en kreeg applaus. Dat maak je niet met iedere training mee!
De derde traing was een kleine 10 km in het schilderachtige havenstadje Ribadesella in Asturias. We waren op donderdag net aangekomen en het was om 7 uur nog heerlijk weer. Ik ging hardlopen over de wandelpromenade langs de rotskust, over het strand en langs de haven. De zaterdag erop deed ik weer een klimtraining van 6 km, deels over het traject, dat ik de dag ervoor met Ada gewandeld had.
De gele route liep over 3 uitzichtspunten, de miradores. De lange klim, die we gisteren wandelden vanaf de Puerto del Pilars, deed ik nu hardlopend. Dat was best zwaar. Na nog een paar keer op en neer golven kwam ik uit bij Ardines. Hier lagen de de 3 uitzichtspunten. Vooral vanaf de derde mirador had je een prachtig uitzicht over de zee, de Sella en de Picos de Europa.
De laatste training in Asturias was op dinsdagochtend om 10 over half 8. Ik liep 5 km in de regen. Eerst liep ik naar de punt, waar de afdruk van een dinosauruspoot te zien zou moeten zijn. Het zou kunnen zijn, dat ik hem redelijk hoog op de rotswand heb gezien, maar mogelijk ook niet. Ik ben geen expert op dit terrein.
Om even over 8 liep ik bij de pastelaria binnen en haalde 3 brood op, zodat we om half 9, na een verfrissende douche, aan tafel plaats konden nemen.
Op deze Hemelvaartsdag heb ik in Leiden 7,5 km in marathontempo gelopen. Nu neem ik echt rust tot zondag.
Geboren en getogen in Nieuw-Vennep in een gezin met 12 kinderen en sinds 1979 woonachtig in Leiden. Mijn vader was de oprichter van het transportbedrijf B.Breed & Zonen in Nieuw-Vennep, dat nog steeds bestaat.
Ik ben in 1983 getrouwd en vader van 4 kinderen.
Ik train al sinds mijn verhuizing naar Leiden voor de Elfstedentocht en ben uiteraard een groot liefhebber van schaatsen op natuurijs.