woensdag 13 augustus 2008

Halen of falen?

Op zondag 4 februari 1996 kondigde de voorzitter van de Elfstedenvereniging aan, dat de tocht in 1996 niet door zou gaan. Het ijs was niet betrouwbaar genoeg voor 16.000 man. Met andere woorden: voor kleine groepjes was het prima te doen! Na druk telefonisch verkeer vertrok ik op maandagavond met Gerard Günthardt, de man van een collega, naar Leeuwarden, waar we bij mijn neef Robert Breed en zijn vrouw Karien konden overnachten. Op dinsdag 6 februari was het zo ver. Na meer dan 16 jaar getraind te hebben, stapte ik met Gerard en Robert om 6 uur op het ijs van de Zwettehaven. Om 9 over 6 begon onze Elfstedentocht. De baan op de Zwette was keurig geveegd en met 2 zaklampen in de hand reden we de door de volle maan beschenen nacht in. Halverwege Sneek waren we al door 2 andere schaatsers ingehaald. Hier verliet Robert ons: hij moest op tijd de trein halen om de kinderen naar school te brengen. Met het ochtendgloren bereikten we Sneek. Hier voor de eerste keer onderuit gegaan door een scheur in het ijs. Inmiddels reden we met 7 andere rijders richting Waterpoort. In Sneek was het ijs, in tegenstelling tot de Zwette, slecht. Vooral op het stuk waar schotsen in het wak waren gestort. De tweede stad, IJlst, bereikten we vrij snel. Over het werkijs reden we zuidwaarts. Langs de Wijde Wijmert lag veel grond metershoog. Een deel hiervan was op het ijs gewaaid en maakte het vrij stroef. In Woudsend namen we pauze om even wat te eten en te drinken. Ik zat op rozen. Dat had ik beter niet kunnen doen, want een doorn zat bij mijn pinknagel diep in mijn huid. Met een geleend pincet wist Gerard de doorn eruit te trekken. We reden al snel het Slotermeer op. Ook hier was het ijs als slecht te bestempelen. Na over het kistwerk geklommen te zijn reden we de route langs de oostkant van het meer. De borden “Levensgevaarlijk ijs” waarschuwden ons er voor om niet rechtdoor te gaan om zo de kortste weg naar Sloten te nemen. Voor het eerst deze dag moesten we flink tegen de wind in beuken. De stuifsneeuw, die over het meer waaide, gaf aan, dat de wind harder was dan we in eerste instantie dachten. Doordat er op het ijs plekken waren, die 2 cm lager waren, alsof er voetstappen in het ijs stonden, kon je geen slag normaal af maken. Ik ging een keer lelijk onderuit en moest de rest van de dag met een blauwe schouder rijden. Na het meest oostelijke punt van het Slotermeer bereikt te hebben, werden we door de harde wind naar Sloten geblazen. We zagen 2 waaghalzen toch het meer oversteken. Wat moet je doen, als ze er doorheen zakken? Niets doen en je leven lang een schuldgevoel houden, of er wel naar toe gaan met de kans, dat je zelf door het ijs zakt? Dit dilemma werd opgelost, doordat de waaghalzen halverwege toch de veiligste route kozen. Na een rondje door het kleinste stadje van Friesland reden we met forse wind in de rug naar Balk, waar we onder het “ijstransplantatiebruggetje” door gingen om via de prachtige bossen van Gaasterland naar de Galamadammen te rijden. Ook hier was het ijs slecht. De hele weg naar Stavoren schaatsten we over zeer hobbelig ijs. In het keerpunt van de tocht moesten we midden in de haven klûnen! Om kwart over11 hadden we een derde deel van de tocht erop zitten. Langs de IJsselmeerdijk gingen we noordwaarts. Gerard reed in een scheur en zou de hele dag zijn knie voelen. De harde wind begon zijn sloopwerk te doen. De voorspelde zuidoostenwind met maximaal windkracht 5 bleek een noordoostenwind met windkracht 6 te zijn. Taai doorzettend reden we naar Hindeloopen om daarna de wind vol op kop te krijgen naar Workum. Maar Bolsward lonkte, de helft van de Tocht der Tochten. Met een harde tegenwind en werkijs met af en toe grond er op om het nog wat zwaarder te maken, zwoegden we voort. Gerard en ik waren bekaf: de eerste inzinking van de dag. Om half 2 verlieten we Bolsward met in ons achterhoofd: ”Wie Bolsward haalt, haalt de Bonkevaart”. Vanaf Bolsward hadden we de wind stukken in de rug en soms van opzij op weg naar Harlingen. We reden zeer rustig om nieuwe energie op te doen. Onderweg kwamen we nog een paar Elfstedenrijders tegen, die ook door de wind gesloopt waren. Via Witmarsum en Kimswerd, langs het tv-wak en de langste klûnplek, bereikten we om 3 uur Harlingen, het tweede keerpunt van de tocht. We hadden er nu 125 km op zitten. Via de noordelijke route over Sexbierum reden we 16 km over de 8 naar Franeker. De harde wind begon zijn tol nu pas goed te eisen. Gedoseerd rijden was er nu niet meer bij. Zelfs met flink kracht zetten waren de slagen maar 1 á 1,5 meter, waar normaliter mijn slagen 4 á 5 meter waren. Het was letterlijk werkijs, met soms een stukje glijijs. In Franeker aten we de welverdiende erwtensoep en een stuk rookworst. Net buiten Franeker kwam voor ons beiden de man met de hamer. Van de ene slag op de andere vloeide alle kracht uit mijn linkerbeen. Mijn voet verkrampte. Op wilskracht reden we door naar Ried, waar we wat dronken. We hoorden hier, dat de wind nog sterker zou worden dan windkracht 7, die we inmiddels voor onze kiezen kregen, en dat op de Blikvaart zeer slecht ijs lag. Bij Berlikum aangekomen, na ruim 150 km schaatsen, gaven we ons verstand voorrang boven ons doorzettingsvermogen. Het was onverantwoord om met zijn tweeën op slecht ijs in het donker verder te gaan. We hadden nog "Another 45 miles to go".

We gaven op en liftten naar Leeuwarden. Met schaatsen in de hand heb je in Friesland zo een lift. Bij mijn neef Robert naar huis gebeld en daarna een flink bord macaroni verorberd. We waren zo moe, dat we nauwelijks uit de leunstoel op konden staan. We moesten de mensen van het Elfstedenbestuur gelijk geven, dat ze de tocht niet door lieten gaan. In het zuidwesten was het ijs niet betrouwbaar genoeg voor 16.000 mensen en misschien nog evenveel zwartrijders. Bovendien kon onder veel bruggen slechts een smal paadje gevolgd worden, terwijl voor de rest de schotsen er soms als scheermessen bij lagen. Eén val en je kon gelijk naar het ziekenhuis. Of nog erger….. De volgende dag overheerste de kater: zo ver gekomen en het toch niet halen. Als de wind niet zo hard was geweest, hadden we het gered. Waren we 20 km verder gekomen, dan hadden we het op ons tandvlees gehaald. Maar gaandeweg kwamen ook de positieve gevoelens boven. We hadden een prachtige tocht gemaakt door het mooie Friese land. Voor Gerard was het de langste afstand, die hij geschaatst had. Zelf had ik in 1991 door 4 keer de Molen- en Merentocht vanaf Hoogmade te schaatsen al eens eerder 200 km gereden. Maar beiden waren we nog nooit zó diep gegaan. Met de wijsheid achteraf hebben de druivensuikers van Dextro, die we overdag regelmatig namen, fout gewerkt. De bloedsuikerspiegel wordt fors omhoog gegooid, zodat het eigen lichaam te weinig suikers gaat leveren. En de rookworst was helemaal funest. Er trekt zeer veel bloed naar de maag om het vet te verteren, en dat bloed zit niet meer in de benen! Het gevoel balen om het falen konden we 11 maanden later gelukkig al achter ons laten, doordat we toen beiden de Bonkevaart wel wisten te halen.

Geen opmerkingen: