woensdag 8 oktober 2008

"Maar je schaatst best wel goed"

Ik had 's ochtends een vergadering in Hoofddorp en op de fiets reed ik door het nevelige laagland er naar toe. Onderweg ging ik nog even aan bij mijn schoonzus Joke om te melden, dat ik 3 kaarten te pakken had gekregen voor de slotdag van het Europees Kampioenschap in Heerenveen op 11 januari 2009. Onnodig om te zeggen, dat dit in goede aarde viel.
Na een bezoek aan Bas Warnink bij de 50-jarige bibliotheek van de Haarlemmermeer reed ik in het heerlijke herfstweer door de Bollenstreek terug naar Leiden. Met ruim 70 kilometer in de benen ging ik op deze dinsdagavond schaatsen. Ik begon bewust langzaam, om de bochtentechniek goed te kunnen oefenen. Dit ging prima. Regelmatig in 3 keer pootje over de bocht door, al werd het ook vaak 4 keer. In een peloton rijd je het veiligst als je de slagfrequentie van je voorganger zoveel mogelijk aanhoudt.
Om 9 uur gingen veel hardrijders koffie of iets anders drinken. Met Frans van Rijn ging ik nog een half uur door, waarbij we om en om een minuut of 5 de kop namen. Frans ging om half 10 weg. Op de binnenbaan was het nog zeer druk: veel scholieren reden daar noch sehr tüchtig dankzij een uitwisselingsprogramma met een Duitse school, op de buitenbaan reden nog ongeveer 10 schaatsers. Eén van hen, Fer Vergeer van IJsclub Warmond, viel mij op vanwege zijn goede techniek. Vooral zijn valbeweging was, op zijn Duits, fabelhaft.
Ik complimenteerde hem daarmee. Positieve feedback geven is immers altijd leuk. In het calvinistische Holland zijn we daar niet zo scheutig mee. "Dat heb ik niet cadeau gekregen. Ik heb er lang genoeg op geoefend" was het antwoord. Ongevraagd, maar beslist niet ongewenst, gaf hij me een aantal nuttige adviezen. Hij begon met mijn armzwaai. Deze moest veel korter. Als je de armzwaai te lang maakt, heeft dat tot gevolg, dat je te veel naar achteren afzet. Het oefenen onder begeleiding maakte duidelijk, dat hier een verbetering in techniek haalbaar was.
De gratis privé-les begon nu pas echt. "Je hangt teveel tussen je benen. Dat komt, omdat je basishouding verkeerd is. Je romp hou je te diep, waardoor je niet diep genoeg kunt zitten." (Waar heb ik dit eerder gehoord, Pieter?) Fer zette me in de juiste houding. "Het voelt heel raar aan. Vooral je bovenbenen zul je voelen. Zelf ben ik 3 maanden bezig geweest om dit erin te krijgen. Denk niet, dat je dit meteen 70 rondjes vol kunt houden. Begin er mee aan het begin van de les en hou het zo lang mogelijk vol." Samen reden we zo een paar rondjes langzaam.
"Een goede conditie is onontbeerlijk bij het schaatsen. Als je conditie niet goed is, kunnen je spieren de techniek niet goed uitvoeren." Over mijn conditie hoefde ik me geen zorgen te maken. Als je na 70 km fietsen nog 50 km kunt schaatsen, hoef je je daar geen zorgen over te maken.
"Verder haal je je schaats wel goed bij, maar op de manier, waarop jij het doet, zet je je ijzers ietsje schuin naar voren, dus je slag gaat daardoor ook automatisch schuin, waardoor het minder effectief wordt. Je kunt beter een groter rondje draaien en je voet wat meer laten hangen. Je inzet wordt dan meer voorwaarts, met meer snelheid. Als je dit allemaal doet, kun je veel beter zijwaarts afzetten. En daardoor kun je je valbeweging verbeteren. Bovendien kom je dan beter over en je komt dan op de buitenkant van je ijzers, waardoor je veel meer rendement hebt van je valbeweging. Naar links gaat het zeker niet slecht, dat komt van de vele bochten, maar naar rechts is duidelijk minder."
Met de trainer van de vrijdag-marathongroep in Leiden reed ik een aantal ronden om dit te oefenen en met zijn aanwijzingen lukte het zowaar nog ook. Nu was ik van plan om me dit jaar helemaal op het verbeteren van de bochtentechniek te storten, maar plotseling had ik er een heleboel oefenstof bij......
Maar na al deze haperingen in mijn techniek tot mij genomen te hebben, was het slotwoord van Fer Vergeer, toch wel verrassend, positief: "Maar je schaatst best wel goed."

vrijdag 3 oktober 2008

Nooit oude schoenen weggooien

De eerste week van het schaatsseizoen is een hele belangrijke, misschien wel de belangrijkste van het jaar. Het resultaat van de zomertrainingen moet je om gaan zetten in schaatstechniek. Nu is schaatsen zo'n complexe sport, dat je jezelf op talloze manieren kunt verbeteren. Die techniek is hier de sleutel voor vooruitgang, letterlijk en figuurlijk. Want bij welke andere sport kun je na je 50e nog beter worden? Zelf neem ik me altijd voor om in het seizoen 1 ding te verbeteren. Er zijn misschien wel 20 technische onvolkomenheden, waar ik aan kan werken, maar de praktijk leert, dat je geen 20 verbeteringen tegelijk kunt aanleren. Je kunt je het beste concentreren op 1 verbeterpunt. Het gaat er immers om, dat je de beweging gaat automatiseren. Dat kost tijd en vooral ook veel aandacht en dat werkt niet, als je die aandacht moet verdelen over meer verbeterpunten tegelijk. Voor dit seizoen heb ik me voorgenomen om te gaan werken aan mijn bochtentechniek en dan met name op het doorglijden op mijn linkerbeen. Ik heb mezelf een zeer snelle overstap aangeleerd. Dat automatisme moet ik zien te doorbreken en dat lukt altijd het beste als je "vers" het ijs op stapt. Als je al een paar weken geschaatst hebt, is het veel moeilijker om je techniek te verbeteren. De oude automatismen zitten er weer helemaal in gesleten. En iedere trainer weet: het is moeilijker om iets af te leren dan om iets aan te leren! Op de eerste dinsdagavond ging ik dus bewust langzaam schaatsen om de bocht beter te leren lopen. We hebben met de droogtraining deze zomer hier veel op geoefend in de elastieken en het ging steeds beter. Doordat een trainingsmaat je tegenhoudt, kun je de valbeweging beter oefenen, kun je dieper zitten en goed voelen, hoe je overstapt zonder je been te overstrekken. Nu is het beste moment om hier aan te gaan werken de eerste training. In Nederland zeggen we: "De eerste klap is een daalder waard", maar de Fransen hebben er een veel mooiere uitdrukking voor: "C'est le ton qui fait la musique". Het is moeilijk om jezelf te beoordelen, omdat je jezelf niet ziet schaatsen, maar voor mijn gevoel schaats ik technisch beter dan vorig jaar. In het eerste uur lukte het heel regelmatig om de bocht in 3 keer overstappen te lopen. Nu werkte natuurlijk wel mee, dat het ijs in de IJshal van Leiden van superieure kwaliteit was. Het ijs is er eigenlijk altijd goed, maar aan het begin van het seizoen is het nog minder dik. De bovenlaag zit dichter op de koelbuizen en is wat harder. Het gleed in ieder geval perfect. Doordat ik in de bochten wat dieper zat en wat meer durfde te "hangen", nam ik dit stukje techniek ook mee op het rechte eind. Ook deze liep meteen beter. Het is nog te vroeg om een oordeel te vellen, maar ik denk, dat ik dit jaar veel baat heb bij de droogtrainingen van Pieter Smit. De kunst is nu, om deze verbeteringen te gaan automatiseren. Eindeloos oefenen dus, tot het "vanzelf" gaat. Op donderdag 2 oktober waren we met een groep van 8 krasse knarren. Het tempo lag meteen hoog. We leken wel een stel jonge honden, maar ja, het ijs gleed zo mogelijk nog beter dan op dinsdagavond. Ook in dit hoge tempo lukte het om langer door te glijden op het linkerbeen, dus dat ziet er goed uit. Nu miste ik als coach van de krasse knarren wel Wim van Huis en Jan en Henk Versteegen, de tweeling, die ik na 5 jaar nog steeds niet uit elkaar kan houden. Vroeger deed ik als kind wel eens het puzzelspelletje met 2 zoekplaatjes "Zoek de 7 verschillen". Welnu, die zijn er bij hen niet! Daar je in het begin van het seizoen de toon moet zetten, zocht ik de heren 's avonds op om te onderzoeken, of ze een geldig excuus hadden voor deze ongeoorloofde afwezigheid, want anders volgt er natuurlijk een straftraining. Een fikse onweersbui hield me wat langer thuis, maar ik was precies bij het begin van het optreden van The Shoes bij La Bota. Het was druk in de Herensteeg. Gezellig druk. Het zeil, dat over de steeg gespannen was, liet tussen de balken allerlei parabolen zien dankzij alle buien van de afgelopen dag. Het was wat dat aangaat meer "Farewell in the rain" dan "Adios corazon". Dit laatste lied vind ik persoonlijk het mooiste Shoes-nummer. Een gratis luistertip dus. Het optreden in 3 sets was heel goed. In Groningen zouden ze zeggen: "Het kon minder". Er waren veel oudere jongeren, "Osaka" werd door een oudere jongerenkoor luidkeels meegezongen en zeker de laatste set werd er druk geswingd door 100 tot 200 mensen. In trainerstermen zou ik zeggen: "De heupinzet werd getraind".
De eerste keer, dat ik the Shoes heb zien optreden, was ik een jaar of 15. Met een groep vrienden uit Nieuw-Vennep gingen we op 2 oktober naar de Groenoordhallen, waar zij optraden, met daar omheen de Veronica drive-in show. Toen kon ik niet weten, dat ik een kleine 40 jaar later met 3 van hen iedere week in Leiden zou schaatsen. Het optreden was heel bijzonder. Theo van Es, de zanger, was ernstig ziek geweest en het was de vraag, of hij überhaupt de ziekte te boven zou komen, laat staan, dat the Shoes ooit nog in de originele bezetting op zouden kunnen treden. Wat dat aangaat was dit optreden een toegift. We hopen natuurlijk, dat er nog veel toegiften van the Shoes komen. Want je moet immers nooit oude schoenen weggooien, voor je nieuwe hebt!

zaterdag 27 september 2008

Halve marathon van Katwijk


Hoewel ik al 23 jaar bij de bibliotheek van Katwijk werk, had ik nog maar 1 keer de halve marathon aldaar gelopen. Daar moest wat aan gebeuren. Ik ging mijn aantal deelnames in een klap verdubbelen. Met mijn Elfstedenmaatje Jaap de Gorter fietste ik om 10 voor 10 naar Katwijk toe, waar we in de Boorsmazaal in konden schrijven.
De dag ervoor had ik voor het eerst dit seizoen geschaatst. Na de trainersvergadering in de Leidse ijshal mochten de trainers van half 9 tot half 10 het ijs op. Het is altijd weer even wennen. Normaal gesproken zou ik meteen een uur doorkachelen, maar met de zwaarste halve marathon van Nederland op het programma schaatste ik toch wel met de handrem er op. Vooral omdat ik mijn scheenbeenspieren toch wel voelde. Na afloop in de kantine nog een paar Palm op. Het was er gezellig en koolhydraten stapelen kan vlak voor een duursportevenement geen kwaad.
Om kwart voor 11 waren we in de Princestraat, waar we in het najaarszonnetje wachtten op het startschot, dat om 11 uur zou klinken.
Jaap zou de 10 kilometer lopen. Tot voorbij het 5 kilometerpunt zouden we samen lopen. De race was, in tegenstelling tot het parcours, lekker vlak, 5 minuten per kilometer. Bij de splitsing van de 10 en de 21,1 afscheid genomen van Jaap. De inhaalrace kon beginnen. De afgelopen 10 jaar heb ik veel in de duinen getraind, en dat wierp nu zijn vruchten af. Telkens als ik een groepje ingehaald had, zocht ik een volgend doelwit om naar toe te lopen. Zowel bij het klimmen haalde ik in, maar vooral ook met het dalen. Hans Boers had me een goede techniek geleerd. Bij het dalen moet je je armen slap langs je bovenlichaam laten hangen en met grote passen afdalen. Je profiteert dan optimaal van de zwaartekracht!
Op een gegeven moment zag ik iemand in een Feyenoord-shirt lopen. Als Ajax-fan was dit natuurlijk mijn favoriete prooi. Bij de halve marathon van Rotterdam had ik me dit ook wel voor kunnen nemen, maar er liepen zoveel mensen in het rood-wit geblokte shirt, dat daar geen beginnen aan was.
Bij het 13-kilometerpunt had ik dit stukje wedstrijd in de wedstrijd gehad en liep ik naar de drinkpost op het parkeerterrein van Wassenaarse slag.
Bij het opgaan van het strand hadden we 15 kilometer achter de kiezen. We hadden niet alleen geluk, dat het prachtig herfstweer was met een temperatuur van ongeveer 20 graden, weinig wind en een heerlijk zonnetje, we hadden ook nog eens laag water. Dit betekende, dat we vlak langs de vloedlijn konden lopen. Dit is bepaald geen nadeel. Ik heb vaak genoeg op het mulle zand getraind om te weten, hoeveel zwaarder dit is. Maar een belangrijke les in de mentale training: profiteer ervan al de omstandigheden goed zijn. Dat deed ik dan maar.
In een ontspannen kadans liep ik langs de vloedlijn. Maar zoals Johan Cruijff placht te zeggen: "Elk voordeel heb zijn nadeel." Er waren een viertal geulen, die te breed waren om overheen te springen. Dan maar gewoon er doorheen lopen. Vlak achter me hoorde ik iemand hartgrondig vloeken, en dat op Katwijks grondgebied! Ik had deze krachttermen niet nodig. Bij de wandelvakantie in Dartmoor had ik iedere dag natte poten gehaald, dus dit kon er ook nog wel bij.
In Katwijk aangekomen had ik op het stand nog nauwelijks mensen ingehaald, maar kennelijk zaten diverse mensen er doorheen. Zonder echt te versnellen kon ik nog een man of 15 inhalen in de laatste 2 kilometer. In de Princestraat aangekomen zag ik, dat ik mijn doelstelling "onder de 1.50" gehaald had.

Met 1.49.46 was het een vergelijkbare tijd als die in Rotterdam, maar met aftrek van voorarrest kwam ik uit op 1.49.00, bijna een halve minuut sneller dan de loop over de Maasboulevard en deze halve marathon is toch echt veel zwaarder en het terrein veel minder snel!
Met Jaap, die een teleurstellende tijd van ongeveer 54.13 had, fietste ik weer naar Leiden terug met de afspraak om volgende week gezamenlijk met Hans Boers te gaan trainen. De vorm is goed, nu is het een kwestie van het vasthouden hiervan. En Jaap kan zich mogelijk ook weer in vorm gaan lopen.
Ada was blij, dat ik bij de eindstreep geen medaille gekregen had, maar een tas van bakkerij van Maanen, samen met opticien Saton de hoofdsponsor van deze halve marathon, met daarin een gevulde speculaas en een roggeknar. Er lopen immers veel krasse knarren mee, waarbij ondergetekende. Krijgen we volgend jaar een bril als we gefinished zijn?

vrijdag 26 september 2008

Schaatsen


Het is een open deur van hier naar Tokio, maar het belangrijkste gereedschap bij het rijden van een toertocht zijn de schaatsen. Je hebt ze in alle soorten en maten, dus er valt genoeg over de schaatsen te vertellen.
Zoals bijna iedereen van mijn generatie ben ik begonnen op Friese doorlopers. Deze houten schaatsen met een ronde voorkant zijn op zich prima geschikt voor het rijden op natuurijs: door de ronde voorkant rijd je niet zo snel in scheuren. De Friese doorloper heeft wel een groot nadeel, en dat is de binding. Je moest met oranje linten (andere kleuren werden niet geleverd) de doorlopers vast aan je voeten zien te krijgen. De linten werden door het leer gehaald, dat vastgeschroefd zat aan de houten schenkel.
Nu droegen we in mijn jeugd meestal rubber laarzen met daaronder (geiten)wollen sokken. Mijn vader maakte ze meestal zeer strak vast. Achteraf weet je, dat je bloedsomloop in je voeten afgekneld werd, dus dat je na het schaatsen tinteltenen kreeg was niet meer dan logisch. Wat ook logisch was, was dat de linten na verloop van tijd losser gingen zitten. Zelf kon je dus ook regelmatig proberen om de schaatsen weer wat strakker vast te maken. Kortom, Friese doorlopers zijn niet ideaal, ook al zijn het prima schaatsen om het op te leren.
Hetzelfde geldt voor de houten noren. Deze kreeg je, als je groter werd en er een oudere broer of zus uitgegroeid was.
Een hedendaags alternatief voor de houten schaatsen zijn de easy gliders. Deze kunststofschaatsen hebben een andersoortige binding: geribbelde plastic bindingen worden vastgeklemd en kunnen niet meer terug schuiven. Wat dat aangaat is het een verbetering. Een nadeel is echter, dat de plastic binding in de kou hard wordt en zijn flexibiliteit verliest. Ook de plastic schroefjes, waarmee de binding in de kunststof schenkel is vastgezet, zijn vrij kwetsbaar. Het verdient dan ook aanbeveling om in ieder geval een paar schroefjes en eventueel een geribbeld plastic binding mee te nemen voor het geval dat.
Het voordeel van zowel de houten als de kunststofschaatsen is, dat je bij kluunplaatsen de schaatsen vrij makkelijk uit kunt doen en gewoon lopen. Daarna dien je ze uiteraard wel weer vast te maken.
Het alternatief van bovengenoemde schaatsen zijn de schoenschaatsen. Tegenwoordig is dit de standaard, in mijn jeugd was het nog een luxe artikel. De eerste schoenschaatsen kreeg ik, toen ik een jaar of 14 was, uiteraard minimaal tweedehands. De noren, die ik kreeg waren van het merk Ving en ik heb er een jaar of 15 op gereden. Toen het fut uit het leer ging, kocht ik Viking Mid’s, alvorens ik overstapte op de klapschaats, eveneens van Viking.


Op zich rijden klapschaatsen prima op natuurijs. Ze hebben echter één groot nadeel ten opzichte van de vaste schaats. Als je in een scheur rijdt, blijft het ijzer vast zitten. Dit gebeurt met vaste schaatsen ook, maar hierbij wordt je val afgeremd, doordat het ijzer zowel voor als achter vast zit aan de schoen. Bij de klapschaats is hier geen sprake van. Je ijzer zit vast, door de voorwaartse kracht kantel je als het ware voorover over het scharnierpunt heen en met een flinke klap kom je op het ijs terecht. De klapschaats is dan met recht een klapschaats!
Natuurlijk hebben de schoenschaatsen een groot voordeel ten opzichte van de houten: doordat ze vast aan je voet zitten, kun je veel meer kracht zetten en kun je je techniek veel beter benutten, doordat de schaatsen niet “scheef” onder je voeten zitten. Vergis je hier niet in: een paar millimeter afwijking en je rijdt al snel slechter, doordat de drukpunten verkeerd zitten.
Uiteraard is het wel noodzakelijk, dat de schoenen goed aan je voet zitten. Te ruime schaatsen met twee paar sokken werkt niet. Je voeten gaan dan zwabberen en veel van de kracht van je afzet gaat verloren. Te krappe schoenen werkt ook niet. Op de kunstijsbaan kun je er met blote voeten met temperaturen boven nul prima mee uit de voeten, maar op natuurijs is het toch een ander verhaal. Behalve de gewone temperaturen heb je ook nog met de windchill te maken. Je loopt dus een groter risico op bevroren tenen, zeker als de temperatuur verder onder nul zakt. Mijn advies is dus: precies pas met dunne thermische sokken aan! Schaatshoezen moeten zorgen voor een verdere bescherming tegen bevriezing.
Voor het klunen moet je schaatsbeschermers meenemen. En ook hierbij geldt: oefening baart kunst. Hoe vaker je kluunt, hoe bedrevener je er in wordt, zowel in het klunen zelf als in het aan- en uitdoen van de schaatsbeschermers.

En dan zijn er nog schaatsen, die de voordelen van zowel de houten als de schoenschaatsen combineren: de zogenaamde kluunschaatsen. Zelf heb ik Rossignol langlaufschoenen, waar je met een simpele klik je schaatsen mee vast zet. Het grote voordeel bij het klunen is daarmee ook al genoemd. Met één handgreep is de schaats los, na het klunen klik je het zo weer vast.
Daarnaast zijn de hoge schoenen lekker warm. Op de Weissensee had ik bij min 18 nog geen koude voeten. Voorts zijn de schaatsen lager dan de gewone schoenschaatsen, dus je bent veel stabieler, terwijl het door het scharnierpunt aan de voorzijde van de schoen er voor zorgt, dat je toch op klapschaatsen rijdt. Een voordeel is verder, dat de voorzijde de ronding heeft van een Friese doorloper. Als je in een scheur rijdt, glij je er meestal zo weer uit. Met minimaal 1000 km op natuurijs op de Rossignols ben ik slechts één keer gevallen.
En het grootste voordeel is: als je schaatsen bot worden, wissel je de ijzers gewoon. De schaatsen worden immers altijd het eerst bot aan de binnenkant. Hier zet je mee af. Je doet het ijzer van de linkervoet aan de rechter en vice versa. Bij een lange tocht kun je bovendien nog reserve-ijzers meenemen in je rugzak. Zelf heb ik een paar reserve-ijzers gekocht, daar de kluunschaatsen één kwetsbare plek hebben: de kunststof binding zou kapot kunnen gaan.
Kortom: met de reserve-ijzers mee kun je er helemaal zeker van zijn, dat je altijd scherpe ijzers onder je voeten hebt.
Let bij de koop van kluunschaatsen goed op het model: je hebt schoenen en bijbehorende ijzers met 1 binding en met 2 bindingen. Deze laatste lopen een stuk lastiger! Immers: hoe vlakker de zool van de schoen is, hoe beter je kunt klûnen. Zorg wel, dat er profiel op de zool zit, anders glij je nog alle kanten op.
Bij de ANWB kun je voor nog geen € 10,- trouwens een soort pantoffels met ijzeren driehoekjes kopen, die je over je schoenzolen kunt doen, zodat je bij gladde omstandigheden veel meer grip hebt.
Verder heb ik tijdens een natuurijsperiode met veel sneeuw een handig hulpmiddel "ontdekt" voor de kluunschaatsers. Er kwam bij het klûnen meestal veel sneeuw te zitten tussen het stangetje en de schoen. Dit was er meestal lastig uit te halen. Met een eenvoudig imbussleuteltje heb je dit "vuil" zo verwijderd en klik je de schaats zo weer aan je schoen vast!
Mijn voorkeur voor toertochten is dus duidelijk: de kluunschaatsen, waar Martin Langbroek een prachtige naam voor bedacht heeft: kabouterschaatsen!



zaterdag 20 september 2008

Thuiswedstrijd





Op deze zonovergoten zaterdag kon ik een heuse thuiswedstrijd lopen: de Polderloop in de Stevenshof. Daar ik al ruim 21 jaar in deze buitenwijk van Leiden woon, ken ik ieder stuk van het parcours. Het bekende thuisvoordeel. Met Ada ging ik om 10 uur boodschappen doen. Bij winkelcentrum De Stevensbloem kon ik me inschrijven voor de 10 kilometer, die om half 12 van start ging.
Om 11 uur kleedde ik me thuis om, dronk nog een warme chocomel, at nog een banaan en liep de 700 meter naar de start. Daar even staan kletsen met PvdA-raadslid Henny Keereweer, alvorens wij na het finishen van de kinderloop om half 12 van start mochten gaan.
De Polderloop is een kleine wedstrijd: je loopt meteen in je eigen tempo. De eerste kilometer was een rondje om het park en deze ging in 4.14. Voor mijn doen supersnel. Bij de klim naar de Stevenshofdreef liet ik het groepje, waar ik de eerste kilometer mee gelopen had, achter me. De eerste ronde door de wijk ging erg lekker. Met 22.33 had ik een goede 5 kilometertijd.
De drinkpost was op dit punt. En dat was een groot voordeel, daar je na het tweede rondje om het park nog een beker water kon pakken. Na de tweede ronde stond de klok op 27.12, dus een tijd onder de 47 minuten was goed mogelijk. En dat met een luchtdruk van 1032 hPa! Kortom: de vorm zit er weer aan te komen. Op de brug haalde ik iemand in, die de hele eerste ronde zo'n 100 meter voor me had gelopen. Daarna was er niemand meer om in te halen. Bij de Rijndijk, waar je bijna 2 km ver kunt kijken, zag ik geen enkele loper voor me. In zulke omstandigheden is het goed, dat ik vaak in mijn eentje train: je hebt alleen jezelf om je aan op te trekken. De tweede 5 kilometer ging, ondanks de voortvarende start, in 23,19. Het verval was dus vrij gering. Bij de eindstreep klokte ik op 45.52, een van mijn snellere 10 kilometers, ruim 3 minuten sneller dan de Vlietloop 2 weken eerder. Als ik deze progressie het hele seizoen vol kan houden....
Ook Arjan Vos, de man van een collega van Ada, had ruim een minuut sneller gelopen dan bij de Vlietloop.
Een minuut of 2 na mij kwam de eerste vrouw binnen, met wie ik de eerste kilometer had opgelopen. Deze atlete was van Voorschoten '97, net als de winnares van de 5 km. Maar ja, 30 jaar geleden was de Stevenshofpolder nog grondgebied van de gemeente Voorschoten....

vrijdag 19 september 2008

Vuurwerk aan de Weissensee



Om 5 uur zou de wekker aflopen. Zoals gebruikelijk was ik voor die tijd al wakker: ik was ’s nachts al 4 keer naar de w.c. geweest. De gebruikelijke spanning, die zich in mijn lijf op die manier ontlaadt. Voor de triatlon en de marathon vertoon ik dezelfde verschijnselen, slecht slapen en een zeer actieve stoelgang. Toch was de week Weissensee zeer ontspannen begonnen. Op vrijdag 21 januari vertrokken we met zijn zessen op 1 uur per trein naar Oostenrijk: Andrea Landman, Paul Verkerk, Theo Schouten, Wil Verbeij, Hen van den Haak en Bert Breed, om de volgende ochtend om 11 uur bij hotel die Forelle onze intrek te nemen. Het was van hier 100 meter lopen naar het kleine meer. Om 12 uur hadden we onze schaatsen onder onze voeten om met Letty Ruhaak, Pieter Smit en Sjaak Stuyt, die in hetzelfde gebouw verbleven, ons eerste rondje van 25 kilometer te rijden. Vooral op het grote meer was het ijs van uitzonderlijke kwaliteit. Er waren zelfs grote stukken zwart ijs. Kennelijk stond deze vakantie onder een gunstig gesternte, want volgens velen was het ijs in 15 jaar nog nooit zo goed geweest. Tijdens de eerste ronde bleek echter al, dat een klapschaats met recht een KLAPschaats is, als je in een scheur rijdt. Letty, Pieter en Hen zouden de eerste dag al hardhandig kennis maken met de verder spiegelgladde ijsvloer. Na een eerste dag met voor allen een rustige opbouw liepen in de dagen daarna de opbouw naar de Alternatieve Elfstedentocht op 28 januari 2005 behoorlijk uiteen. De één zocht het in de 59 kruiden van Alpenkräuter, de ander ging tussendoor rustig een dagje langlaufen, een derde bouwde langzaam het aantal kilometers op.

Persoonlijk hield ik het bij kilometervreten. Met 4 dagen op rij rond de 100 kilometer schaatsen ging ik tegen iedere trainingsleer in. Maar ja, ik kon de verleiding niet weerstaan. Schaatsen op natuurijs in nu eenmaal zo ontzettend leuk…. Op woensdag hadden we als groep 100 kilometer getraind in het rijden in een rustig tempo en in het aflossen van elkaar. Met tegenwind was de 2 meter lange Wil Verbeij voor iedereen de ideale windbreker. We hadden een gezellige groep. Zo gezellig, dat Frau Müller, de eigenaresse, ons bijzonder nauwgezet in de gaten hield. Vooral de vuurpijlen, die Theo en Wil ’s zaterdags gekocht hadden, zorgden behalve voor veel grappen en grollen, voor haar speciale belangstelling. Toen bij de buren een vuurpijl afgestoken werd en Sjaak daarna vanaf zijn balkon een perfecte imitatie van een gillende keukenmeid gaf, ging prompt bij ons de telefoon: of wij vuurwerk afgestoken hadden? Vanaf maandag druppelde de Proteq- en de DSB-ploeg langzaam binnen bij "Die Forelle".

We kregen steeds meer en steeds beter contact met Daniëlle Bekkering, Jan Maarten Heideman, Ruud Borst, Peter de Vries, René Ruitenberg, Piet Kleine en Peter Baars, de zoon van mijn nicht Jenny Breed. Ondanks de gezelligheid, het vele lachen en het ontspannen toeleven naar de 200 kilometer sloop toch langzamerhand de stress erin. Op zich normaal, want zonder (positieve) stress kun je niet tot presteren komen. Zo zaten we om half 6 aan het ontbijt, waarbij het eten moeilijker naar binnen ging als anders. Na een laatste bezoek aan het toilet werd om half 7 een stevige laag vaseline aangebracht op gezicht, tenen en geslachtsdelen. Het vroor op dat moment 15 graden. Na de klûnschaatsen onder mijn Rossignol-schoenen geklikt te hebben, kon de groep IJVL-ers, aangevuld met Thijs Smit, Jilles Kinkel en Sjoerd Kruijff, naar de startplaats rijden in het schijnsel van een mijnwerkerslamp. Om 7 uur klonk, na een paar doffe “ploenk’s” van het ijs, het startschot. In een laag tempo begonnen we in de schemering in de grote meute de eerste kilometers af te leggen, elkaars naam roepend om elkaar niet kwijt te raken. Wil begon in de schemering het tempo te verhogen. “Rustiger” riep ik, maar veel effect had dit niet. Feitelijk hadden we vanaf het begin te maken met een Alternatieve Elfstedentocht met 2 snelheden: Theo, Wil en Sjoerd wilden doorkachelen, Letty, Andrea, Hen en Bert wilden een iets lager tempo. Zo reden we naar het eerste keerpunt bij Dolomietenblick, waar de snelle groep op de langzame wachtte. De temperatuur daalde tijdens de eerste ronde naar min 18. Gelukkig was het vrijwel windstil, zodat de kou nog net te harden was. Ondanks de trage start en het wederom uit elkaar trekken van de groep door de snelheidsverschillen en het vervolgens op elkaar wachten, werd de eerste ronde afgelegd in 1 uur 10 minuten. In de tweede ronde herhaalde dit patroon van harmonicarijden zich. Douwe Kinkel, die zijn schaatsen in het hotel had laten liggen, kwam ons achterop gereden en zou de rest van de dag met de langzamere groep meerijden, terwijl de snellere groep, Theo, Wil en Sjoerd, die elke ronde wel een paar keer viel, het tempo verhoogde en in ruim 9 en half uur binnen kwam. Bij die Forelle stopten we om bidons te verwisselen. Ik was niet scheutig genoeg geweest met vaseline en had donkerrode lippen. Nel Stuyt smeerde een extra laag bij mij en Andrea als bescherming. Even sloeg de angst toe, dat bevriezing in het gezicht de tocht zou verknallen, zoals een pijnlijke spier bij de rechterenkel dat vanaf kilometer 7 had gedaan, maar gelukkig trok de pijn bij iedere afzet geleidelijk weg. De tweede ronde werd ook in 1 uur 10 volbracht, net als de derde ronde, die gebruikelijk verliep: bij iedere drinkpost namen we wat te eten en te drinken en ik ging 2 keer per ronde plassen. Wel was er een wind opgestoken, die uit variabele richtingen kwam, met vooral tegenwind tussen kilometer 6 en 8 en meewind richting Techendorf. Vlak voor de derde ronde volbracht was, ging Andrea keihard onderuit, toen ze in een scheur reed. Haar rechterschaats schoot weg, alle adem ging uit haar longen. Gelukkig bleef het bij de schrik en kon ze haar klûnschaats weer aanklikken en verder rijden. De vierde ronde was er één met nog meer wind. Sjaak Stuyt had ons al op een ronde gezet, toen Hen flink onderuit ging bij kilometer 4. Zijn klapschaats zat naast zijn potje. Woest trapte hij een paar keer op het ijs en zowaar: de schaats schoot goed. De wind was nu meer uit het westen, hetgeen tegenwind naar Techendorf toe betekende. Terwij Pieter ons ook een rondje gelapt had, zorgden Nel en Paul weer voor de verversing. In 4 uur 50 hadden we de helft van de tocht erop zitten. De wind was nog sterker geworden. Richting Dolomietenblick ging het lekker, ondanks pijn in het linkerdijbeen en de eerste en enige val van de vakantie. De Rossignol-klûnschaatsen werken wat dat betreft prima. Meestal rijd je gewoon uit de scheur. Uit ervaring wisten we: na 120 kilometer begint het pas echt. Het soepele schaatsen maakt plaats voor zwoegen. Arthur van Winsen, Wouter van Riessen, Hans Rodenburg, Thijs Smit en Jilles Kinkel hadden ons ook op een ronde gezet. Richting Techendorf hadden we geluk. We konden vrij snel aansluiten bij een groep van 30 man, waarvan Rijn IJsselstreek het meeste kopwerk deed. Net als de meeste ploegen reden zij in dezelfde kledij. Wij reden als zooitje ongeregeld met een bonte mengeling aan kleuren en kleding, in de luwte in een rustig tempo achteraan tot kilometer 17, waar Douwe onderuit ging. Zodoende moesten we helaas de groep laten lopen. Op het einde van ronde 6 zorgden Nel en Paul voor de nodige voeding en vocht. Om half 3 zat driekwart van de tocht erop. We wisten nu zeker, dat we het gingen halen. Ik kwam Dick Witteman tegen, die ik ken van de ijshal in Leiden. Hij bood aan, om een ronde als windbreker te fungeren. Dit was een geschenk uit de hemel. De wind was weer eens gedraaid en richting Dolomietenblick vrij hevig. In een rustig, gelijkmatig tempo reden we naar het keerpunt toe, telkens mensen oppikkend, die in hun eentje tegen de wind in ploeterden. Na de gebruikelijke drink- en plaspauze bij Dolomietenblick ging een vrij grote groep richting laatste ronde met Dick als voorrijder. Helaas deed de linkervoet niet meer, wat het moest doen. Peter Witteman kwam ook onze gelederen versterken. Bij het ingaan van de laatste ronde om kwart voor 4 verlieten de gebroeders Witteman onze groep. Zelf had ik een kleine inzinking en moest ik de groep, waar ik de hele dag mee gereden had, lossen. Douwe zei tegen mij, dat hij er ook aardig doorheen zat, maar hij kon toch het tempo van de rest van de groep aanhouden. Toch was er een groot verschil met de andere inzinkingen, die ik tussen de 140 en 180 kilometer gekregen had. Toen stond ik helemaal geparkeerd, nu kon ik gewoon door blijven harken. Paul nam de rol van windbreker over van Dick. Tevens voorzag hij me van een energiedrank, die de vetverbranding flink op gang zou brengen. Na de voorspelde 20 minuten ging het schaatsen inderdaad wat makkelijker. Bij kilometer 6 werden we ingehaald door een trio, waar we ons bij aan konden sluiten. Toen Paul in een scheur reed, bleven ze keurig op ons wachten. Na Dolomietenblick was het 16 kilometer vooral meewind. We kwamen in een groep van een man of 20 te zitten, waar we mee reden tot het kleine meer. Onderweg namen we de tijd om te genieten van het uitzicht op de besneeuwde bergen, die door de laagstaande zon een schitterende oranje gloed hadden gekregen. Net of je in een Kerstkaart schaatste. Vlak voor het keerpunt aan de westzijde zagen we Hen, Douwe, Letty en Andrea rijden, die een kilometer voorsprong op ons hadden. Vlak na het laatste keerpunt viel de groep door een paar valpartijen in het schemerduister uiteen in diverse kleine groepjes. Na 10 uur 16 minuten en 2,8 seconden gleed de transponder voor de laatste maal over de streep, ruim 2 minuten na “mijn groep”. Andrea en Letty hadden, net als Theo, Sjoerd, Thijs en Jilles, voor het eerst van hun leven de afstand van de Elfstedentocht volbracht, en dat nog wel in een keurige tijd! De meeste anderen, waaronder ondergetekende, reden een persoonlijk record. Ondanks het reeds vroege afzien was het mijn makkelijkste 200-kilometertocht, mede door het uitblijven van een echte inzinking. Het inleveren van de transponder was in de feesttent, waar ik de eveneens gefinishte Ton Togni en Luit Bloem, die de week erop nog 2 keer de 200 kilometer zou rijden, tegenkwam. Vervolgens naar die Forelle geschaatst. Na 202 kilometer in een verkwikkend bad de schade opgenomen: gelukkig geen bevriezingsverschijnselen. Daarna naar Ada gebeld, terwijl Hen een vrij koude en Theo een koude douche namen.

Om 7 uur gingen we naar het hotel, waar een uitgelaten stemming heerste. Iedereen, die aan de tocht was begonnen, had deze uitgereden. Na de maaltijd werden alle 16 toertochtrijders op een leuke manier door René Ruitenberg in het zonnetje gezet. De dames kregen een glaasje champagne en een kus van Peter de Vries, de heren van Daniëlle Bekkering. Sjaak Stuyt, die in 7 uur en 9 minuten als eerste de tocht volbracht had, werd extra in het zonnetje gezet. “Speech, speech” begon René Ruitenberg. “Zou ik niet doen” waarschuwde ik: “Hij is wethouder geweest”. Na het proosten kwam het grote moment: eindelijk mochten de 3 vuurpijlen afgestoken worden! Hans Müller vertelde, waar ze afgestoken mochten worden, terwijl Sjaak al fluitend een paar gillende keukenmeiden ten gehore bracht. In een euforische stemming trokken we naar kamer 4, waar 11 personen bier en Alpenkräuter verorberden. Ook Douwe en Jilles kwamen nog even langs. De grappen en grollen wisselden elkaar in hoog tempo af. Het onderwerp vaseline kwam vaak ter sprake, met als hoogtepunt een heuse vaselinewasstraat. Om de IJVLers een volgende keer duidelijker herkenbaar te maken: volgende keer schaatsen in Lederhosen!

Ondanks de vermoeidheid van de tocht slecht geslapen, doordat het lichaam vol zit met allerhande stoffen, die de slaap tegenwerken. Dit herkende ik van andere 200-kilometertochten. De volgende ochtend nog ongeveer 14 kilometer gereden, de totaalstand van een 8 schaatsdagen op de Weissensee op 675 kilometer brengend. Voor we naar de trein gingen, zagen we dat “ons” hotel ook op het Open Nederlandse Kampioenschap goed presteerde. Zowel Daniëlle Bekkering als Peter Baars werden nationaal kampioen. In het hotel werd deze dubbelslag uiteraard gevierd. Dit was een mooie afsluiting van een perfecte week aan de Weissensee.

Originaliteitsprijs



Misschien niet de beste, maar wel de leukste voorbereiding op de taartenwedstrijd is om een dagje te gaan schaatsen op Flevonice in Biddinghuizen. Drie geplande data waren vervallen, omdat het 5 kilometertraject eruit lag wegens te hoge temperaturen. Van een paar mensen, die er in de Kerstvakantie geweest waren, had ik gehoord, dat de kwaliteit van het ijs slecht was bij temperaturen boven 5 graden Celsius. Op 16 februari waren de weersomstandigheden goed: ’s nachts vroor het, overdag zou het een graad of 3 worden, terwijl de zon de hele dag scheen.
Om 6 uur ging de wekker. Ontbeten, om half 7 op de fiets naar het Centraal station en met de fiets in de trein naar Harderwijk. Hier vandaan was het nog 15 kilometer tegen de wind in fietsen, grotendeels over de NAP-route, die je vlak bij Flevonice brengt. Om half 10 betaalde ik de € 15,- toegang en begon ik aan mijn eerste rondje. Het vroor nog steeds een graad of 4, dus het ijs was lekker hard. Met een koude wind had je echt het gevoel, dat je op natuurijs reed.
En dat was ook precies de kwaliteit van het ijs: uitgetrapt natuurijs. Wie het vergelijkt met de goed geprepareerde kunstijsbanen van Leiden en Haarlem, zal wellicht teleurgesteld raken. Maar wie het vergelijkt met natuurijs, doet de ijsvloer meer recht. Met natuurijs heb je ook allerlei oneffenheden en ribbeltjes, goede stukken en delen van mindere kwaliteit. Met mijn kluunschaatsen ging het prima, maar ik kan me voorstellen, dat klapschaatsen voor dit ijs wet minder geschikt zijn. Over het algemeen gleed het ijs goed, alleen het stuk tussen kilometer 1 en 2 was matig met een paar versmallingen en met ’s middags een rubber mat op het ijs om 2 meter dooiijs klunend te overbruggen.
’s Ochtends was er al 1 kluunplek: een bruggetje van platen, waar tractoren overheen kunnen rijden, zeer strategisch gelegen pal voor de koek- en zopietent! Vooral ’s middags was het hier gezellig druk. Zelf maakte ik geen gebruik van deze faciliteit, daar ik bij het beginpunt mijn rugzak met eten en drinken langs de baan had gezet, waar ik iedere ronde, indien gewenst, wat brandstof tot mij kon nemen.
Met een paar IJVL-jongeren heb ik in totaal 4 rondjes gereden, met mijn zwager Anton Buijs, die in Harderhaven woont, reed ik ook nog een paar rondjes. Als voorbereiding op natuurijstochten is Flevonice ideaal. Met windkracht 4 a 5 kon je op de langere stukken het tegen de wind in schaatsen goed trainen, door de oneffenheden in het ijs moest je geconcentreerd blijven schaatsen, terwijl je door de grote drukte op deze fraaie winterdag ook af en toe moest slalommen bij het inhalen van de rugzaktoeristen. Zelfs het klunen kon je oefenen. Kortom, vlak voor een natuurijsperiode is Flevonice een ideale plek om alle vaardigheden, die nodig zijn voor natuurijstochten, te trainen.
Om half 4 moest ik de baan verlaten, na 21 ronden oftewel 105 km schaatsen, daar ik om kwart over 7 Carl Flaman zou vervangen in Leiden. Met duizenden anderen had ik een heerlijke dag gehad! Op de fiets naar Harderwijk en met de trein naar Leiden en om 7 uur at ik nog even een patatje en een frikadel, niet bepaald sportvoeding, maar iets warms eten is toch wel lekker.
Na schaatsles gegeven te hebben, kwam het toetje van de dag: de taartenwedstrijd. Zowel bij mezelf als bij de ijzers was de scherpte er af. Bij de ijzers was dat niet zo’n probleem: ik beschik over een reserve paar ijzers, die ik er zo onder kan klikken.
Daar ik na zo’n heerlijke voorbereiding toch geen potten zou kunnen breken, kon ik er maar beter een feestnummer van maken. De kluunschaatsen had ik al aan en met een skibril, een bivakmuts onder de Fryslânmuts en een rugzakje om reed ik de 2 en de 4 rondjes. (Bovenstaande foto's zijn van een jaar eerder, toen de taartenwedstrijd in het carnavalsweekeinde viel.)
Met 50.42 zat ik, geheel volgens de verwachting, ruim 5 seconden boven mijn p.r., op de 4 rondjes reed ik met 1.28.77 tot mijn stomme verbazing slechts 3 seconden boven mijn beste tijd. Maar de grootste klapper van de avond was voor Jurgen van Heemst, die met 1.31.00 op de 2 ronden ruim 1 minuut van zijn p.r. af reed.
Bij de prijsuitreiking bleek, dat ik voor het eerst van mijn leven met schaatsen een prijs had gewonnen: de originaliteitsprijs. Ik mocht een extra groot stuk taart. Daar de taart op de tafel bij de studenten stond, kon ik plichtsgetrouw mijn belofte aan Jaap de Gorter inlossen. Wegens ziekte van zijn moeder had hij mij gevraagd: Wil jij mij afmelden en je een beetje over de studenten ontfermen? Het eerste had ik al gedaan, het tweede gedeelte van mijn belofte kon ik nu inlossen. Tot kwart voor 2 heb ik me lachend aan de gezellige tafels 1 en 2 over de studenten ontfermd!
De volgende dag kon ik ’s middags in het lentezonnetje met nog een vliesje ijs op de boerensloten gewoon 10 km hardlopen. Pas in de laatste kilometer ging ik de bovenbenen een beetje voelen. Maar ondertussen had ik wel mooi de originaliteitsprijs eraf gelopen!