
Even later kwam Herman Finkers op de radio met zijn "Elfstedentocht".
We passeerden Harlingen en Kimswerd, plaatsen, die we de volgende middag bij daglicht zouden zien. De GPS wees ons de juiste weg naar de boerderij van Edzer Kramer en Liesbeth Woudstra. Hier werden we allerhartelijkst ontvangen door de nicht van Jaap en haar man. Alle spullen werden uitgeladen en we hadden een gezellige avond.
We hadden voor de gastvrouw en -heer een pakket met lekkere specialiteiten uit onze woonplaatsen meegenomen.
Zelf had ik een boek meegenomen met daarin het verhaal van de Elfstedentocht van 1997, waarin Liesbeth en Edzer ook de rol van gastvrouw- en heer op zich namen.

Om een uur of half 12 werden de bedden verdeeld. Andrea Landman en Paul Verkerk sliepen op zolder, Wil Verbeij en Hen van den Haak in de slaapkamer beneden, Jaap de Gorter en Jos Drabbels ieder op een matras in de achterkamer en mij was een plek toebedeeld in de bedstee.
Voor veel mensen zal dat iets vreemds zijn, maar als kind had ik in ons huis aan de Hoofdweg in Nieuw-Vennep tot mijn vijfde jaar in een bedstee geslapen. In mijn eerste jeugd dus, en nu in mijn tweede jeugd.
Ik smeerde mijn dikke linkerenkel in met Spiroflor, ging om 12 uur naar bed en was zo vertrokken. Om 3 uur was ik wakker. De slaap wilde niet meer komen. Diverse keren hield ik mijn linkerbeen omhoog tegen de kribbe in de bedstee om het vocht een beetje uit mijn been te laten zakken. Na 2 uur hanewaken stapte ik om 5 uur uit de bedstee om mij om te gaan kleden.
Nog een keer smeerde ik mijn been in met Spiroflor en mijn tenen, edele delen, oren, neus, wangen en lippen met vaseline. Het vroor onder een heldere sterrenhemel 8 graden.
We ontbeten in de keuken, pakten onze spullen en met een gezonde dosis spanning in het lijf verlieten we om 6 uur de boerderij in Boksum om met de auto naar de Zwette te rijden. Hier was het al een drukte van belang. Tientallen auto's kwamen rond deze tijd aangereden. Op het ijs bij de brug van de Boksummer dammen ontmoeten we Frits van Huis en Evert Boekhout, met wie we de tocht zouden gaan schaatsen.
Om half 7 klonk het sein: "It giet oan".
Het eerste stuk reed ik als een lichtend voorbeeld voor de rest van de groep over de rivier, die in het Fries de Swette heet. Mijn lichtende voorbeeld was echter van korte duur: de mijnwerkerslamp op mijn hoofd zat niet goed vast, zodat ik al snel van kopman met koplamp was gedegradeerd tot achterblijver. Met Evert Boekhout, die de lamp in mijn rugzak stopte, moest ik in het donker proberen de scheuren te ontwijken. Gelukkig was de maan bijna vol, zodat je toch nog enig zicht had.

Waar ik echter geen zicht op had was een tocht van onbekommerd genieten. De hele week had ik al bij het schaatsen last van mijn linkerscheenbeen. Ik had gehoopt er vanaf te zijn, maar dat bleek een ijdele hoop. Vanaf de eerste kilometer voelde ik bij iedere afzet met mijn linkerbeen pijn. En dan is 200 kilometer een heel eind.
Maar ik heb ooit eens een marathon gelopen, waarbij na 4 km een pees achter mijn linkerknie pijn ging doen vanwege overbelasting. Gewoon stug doorgaan. Wat dat aangaat is een marathon lopen een uitstekende training voor de Elfstedentocht. Je leert er door afzien.
We deden er een uur over om in Sneek te komen. Het begon licht te worden en een schitterend morgenrood op deze vrijwel windstille dag kleurde de silhouetten van de eerste stad op onze rondreis door Friesland.
We kropen onder een paar lage bruggen door, niet bepaald de grootste hobby van Jaap, die op woensdag met Andrea onder de spoorbrug over de Rijn door het ijs was gezakt. Nota bene onder een brug, waar al diverse schaatsers onderdoor gereden waren! Bruggen hadden nu wat unheimisch voor hem. Er zouden nog heel wat bruggen komen op deze Elfstedentocht.
Na de eerste 2 kluunplekken gepasseerd te hebben, kwamen we uit bij de Waterpoort. Hier werd de eerste groepsfoto van de dag gemaakt.

Dit ritueel werd bij de overige van de elf steden herhaald, zodat we een fotografische stempelkaart maakten.
De 4 km naar IJlst werden vrij snel afgelegd, nu we eindelijk in het daglicht konden schaatsen.





Volkomen onverwachts dook de eerste tegenligger van de dag op. Er zouden er in de loop van de dag nog zeer velen volgen.



Bovendien: 16.000 deelnemers en evenzovele zwartrijders zou dit ijs onmogelijk aan kunnen. En dan heb je het nog niet eens op het talrijke publiek. Nee, dit was een juist besluit.

De pijn van mijn linkerbeen werd hier wat manifester. Maar opgeven na 50 km? Dat nooit. Dan maar een lijdensweg op deze prachtige schaatsdag. Al zou ik een maand pijn in mijn been houden, ik wilde deze eerste kans na 15 jaar met beide handen aangrijpen om de Bonkefeart weer te halen. Het schaatsen had op dit slechte ijs veel weg van masochisme voor gevorderden.




Tot mijn stomme verbazing begon de pijn in mijn linkerbeen minder te worden. Of het de werking van de warme chocolademelk was of het "warm gedraaid zijn" van mijn benen, langzaam maar zeker verdween het vervelende gevoel. Alleen als ik in een scheur reed wist ik weer, dat ik niet te vroeg moest juichen.
Dit deel van de Tocht der Tochten deed ik veel kopwerk. In mijn karakteristieke gebogen houding deed ik vrij veel kopwerk.
"Je houdt Wil netjes uit de wind", kreeg ik te horen: "Tot zijn knieën!"




"We kunnen wel meedoen met gehandicaptenschaatsen", zei ik, terwijl we de andere zes steeds iets verder van ons vandaan zouden rijden. Het was een stuk met veel scheuren en zeer veel tegenliggers, dus wij schikten ons in ons lot van hekkensluiter.

De vaart was na de paar lage bruggen behoorlijk breed, zodat er flink aangezet kon worden zonder last te hebben van de tegenliggers. Nou, dat heb ik geweten. Meteen na de lage brug van Parrega stoven de 7 schaatsmaten weg, terwijl ik nog onder de brug aan het kruipen was. Er was een gat van 100 meter en dat rij je in je eentje niet meer dicht.
Pas bij de volgende brug kwam ik weer bij de groep. We waren dicht bij Bolsward, waar we wat dronken.


Om kwart over 12 verlieten we Bolsward om aan de tweede helft te gaan beginnen. Alles ging goed, tot we in Kimswerd kwamen. Hier moesten we klûnen bij een hoge kade. Ik zette flink af met mijn rechterbeen en een krampscheut ging door mijn kuit.
"Niet weer, hé", dacht ik, maar gelukkig had het geen gevolgen. Het bleef bij die ene scheut. Maar daarna schaats je de eerste tijd wel een stuk minder ontspannen.
Ik vond het dus helemaal niet erg, dat we in Harlingen twee keer een flink stuk moesten klûnen. Even een andere beweging kon geen kwaad.

We moesten langs de rand van het Van Harinxmakanaal schaatsen. Rechts van de grote houte palen stond een bord: Levensgevaarlijk ijs. Niet betreden!
Nou, dat geeft vertrouwen als je daar op een meter of 5 vanaf rijdt. Vooral als je weet, dat de vaargeul 10 meter diep is.
We waren dan ook blij, dat we af konden slaan naar een boerensloot richting Wijnaldum. Maar die vreugde was van korte duur: het ijs was erbarmelijk. Veel scheuren en opgevroren sneeuw.


Op de langere stukken kwam ik met Frits van Huis te rijden, terwijl de rest doorjakkerde.
Bij Franeker was het plan om even wat te eten bij een koek-en-zopie. De lokale C1000 bood gratis chocolademelk aan, dus dat namen we maar.

Buiten Franeker stopten we bij de eerste koek-en-zopie, maar het langzame trio van Hen, Frits en ondergetekende reed hier door.
"Jullie halen ons wel in", zeiden we.
Dat klopte, maar wel veel later dan we gedacht hadden. Meestal begint bij Franeker de "Hel van het noorden", maar daar was vandaag totaal geen sprake van. Op dit deel van de route was het ijs redelijk goed, terwijl er veel verse banen geveegd waren voor de toertocht. We passeerden Ried en Berlikum in een gelijkmatig tempo. Pas bij de sluizen, waar we moesten klûnen, waren we bijgehaald.
Bij de sluizen hoofde ik iemand zeggen: "Bekende Nederlanders doen ook mee. Kijk, daar is Syb van der Ploeg."
Ook een van de grootste schaatsers aller tijden, Rintje Ritsma, was gesignaleerd bij deze Elfstedentocht, en wel in Franeker. Ergens op het traject na Franeker moet "de Beer van Lemmer" ons hebben ingehaald.

(Foto: Leo Vogelenzang)
Maar dat is meteen het probleem bij het schaatsen: vanaf de rug gezien herken je immers weinig mensen....
Vlak voor de sluizen had je trouwens ruim een kilometer stroef ijs. Er was kennelijk zand op gewaaid vanaf de kale landerijen langs de vaart.
Bij het willen aanklikken van mijn ijzers, zag ik, dat het plastic van de binding op een punt gebroken was. Vermoedelijk zou het geen problemen geven, maar om het zekere voor het onzekere te nemen, koos ik ervoor om mijn reserve-ijzers te gaan gebruiken.
We reden naar de Blikvaart en de Finkumervaart. Aan dit traject bewaarde ik geen goede herinneringen. In 1997 kreeg ik hier kramp en was het tot Dokkum een martelgang.
Nu viel het wat dat aangaat mee, maar in het ijs zaten zeer veel diepe scheuren.

Bij een koek-en-zopie zagen we een bordje: Bartlehiem 19 km. Er begon een beetje schot in te komen. Voor het donker passeerden we het beroemdste bruggetje van Fryslân.

Het ijs op de Dokkumer Ee was goed. Er waren voor de 5 Gemeententocht verse banen geveegd, dus je kon vrij onbekommerd schaatsen naar het 12 km verder gelegen Dokkum.

Terwijl zij voor ons drinken bestelden, schaatsten wij door naar het punt, waar meestal de stempelpost staat.

"Hoe laat zijn jullie uit Leeuwarden vertrokken?", vroeg een van hen.
"Om half 7", was het antwoord.
"Dan deed je er wel lang over", kreeg Jaap toen te horen: "Wij hebben er 4 uur over gedaan.
"Wij hebben een kleine omweg gemaakt", zei Jaap.


Alles ging goed tot de lage brug, waar we onder door moesten kruipen. We wachtten op elkaar aan de kade na de brug. Verder dan 6 personen kwamen we niet.

Jos kroop nogmaals onder de brug door, maar bij het café met de strobalen waren ze niet. Met zijn zessen reden we over het redelijk goede ijs van de Dokkumer Ee. Bij Bartlehiem kwamen we de twee vermisten tegen.
We begonnen aan de laatste etappe. Een traject met zeer veel scheuren en afgetrapt ijs. Overdag al geen feest, maar in het donker al helemaal niet. Er waren dus veel valpartijen. Constant riepen we elkaars naam om te horen, of we nog bij elkaar waren. Alleen Wil antwoordde niet.

In Oudkerk volgde een laatste kluunplaats. Nadat een meisje bij een kruising van waterwegen ons de weg had gewezen, werden we op de kant geholpen door dorpsbewoners. Er hing een echte Elfstedensfeer. Tijdens het klûnen door het dorp kregen alle schaatsers een stukje peperkoek aangeboden. Wat een gastvrijheid!
Die Elfstedensfeer hing er ook, toen we de Oudkerkervaart op schaatsten. Maar dan wel die van de hel van '63. Het ijs was erbarmelijk. De ene valpartij na de andere. Andrea kwam hard op haar knie terecht, maar kon gewoon verder schaatsen.


Het is trouwens een interessant fenomeen, hoe iedereen deze tegenslagen bij de laatste loodjes verwerkt. De meesten lijden in stilte, een enkeling heeft nergens last van, net zoals een enkeling zijn hart hardgrondig lucht: "Dit is de laatste keer, dat ik een 200-kilometer schaats!"


In de verte zag je de Bonkevaart al liggen. Om 8 uur draaiden we de Bonkefeart op, zodat we om 8 over 8 met zijn achten de finishlijn passeerden.
We hadden het, ondanks het fantastische schaatsweer niet cadeau gekregen. Maar het grote voordeel van schaatsen met een groep bleek maar weer eens: je helpt elkaar door de moeilijke momenten heen.
Op de Bonkefeart was het een drukte van belang. Er stond een dweilorkest voor de duizenden deelnemers aan deze niet georganiseerde Elfstedentocht.




Er wachtte ons geen Elfstedenkruisje, maar wij hebben iets veel waardevollers gekregen: de herinnering aan een bijzondere schaatstocht met een groep vrienden!

2 opmerkingen:
Petje af Bert! gefeliciteerd!
Gefeliciteerd Bert! Ik ben zondag maar halverwege gekomen, 100km op de Kaag-Ringvaart-Braasem-Vennemeer, maar daar wel 9u voor nodig. Dus ik weet nu dat er nog heel wat training nodig is om die 200km te doen. En daarvoor, wederom, mutsje af!
Een reactie posten